Interview

‘Kabinet debet aan oeverloos gedoe Indonesische claims’

De-kolonisatieoorlog Ook de kinderen van gedode mannen tijdens de de-kolonisatieoorlog in Indonesië (1945-1950) melden zich bij de Nederlandse rechter. Hun advocaat Liesbeth Zegveld ziet een snellere route naar genoegdoening. Een regeling buiten het recht om.

De juridische afwikkeling van de de-kolonisatieoorlog in Indonesië (1945-1950), die staat eigenlijk op de rol, maandagmiddag voor de Haagse rechtbank. Formeel gaat het om een regiezitting waarbij de rechter een aantal praktische zaken wil regelen tussen de verweerder, te weten de Nederlandse staat, en de eisers – enige tientallen nabestaanden van Indonesiërs die slachtoffer waren van het structureel geweld van Nederlandse militairen tijdens die oorlog.

Zo moet bijvoorbeeld duidelijk worden hoe de zaak van de veteraan Yaseman wordt afgehandeld. Yaseman zegt te zijn gefolterd door Nederlandse militairen en wil een schadevergoeding. Hij zal op 7 juli worden gehoord, maar de vraag is hoe en waar. De landsadvocaat stelt dat Yaseman zou moeten worden gehoord op een rechtbank in Indonesië. Zijn eigen advocaat, Liesbeth Zegveld, stelt dat de hoogbejaarde Yaseman daartoe niet in staat is, en wil dat iemand van het Nederlands consulaat naar de man gaat zodat met hem per skypeverbinding kan worden gesproken.

Na de uitspraak in 2011 over de zaak-Rawagede, waar Nederlandse militairen in 1947 een bloedbad aanrichtten onder de mannelijke bevolking, hebben 76 weduwen afkomstig uit Sulawesi (destijds Celebes) een vordering bij de staat neergelegd. Van die 76 hebben intussen 33 weduwen geschikt voor het standaardbedrag van 20.000 euro.

In 2013 heeft de staat een civiele regeling ingesteld om weduwen in gelijke gevallen schadeloos te stellen. Die regel was bedoeld om slepende juridische affaires te voorkomen, ook omdat de Indonesische betrokkenen op leeftijd zijn. Maar de formulering dat weduwen „in soortgelijke positie” als die van Rawagede aanspraak konden maken op schadevergoeding, wordt inmiddels door de staat gebruikt als breekijzer om in individuele zaken de feiten van de eiseressen te betwisten, aldus Zegveld. „Bewijst u maar dat uw man is geëxecuteerd en bewijst u maar dat u de echtgenote was van die man. Waar bij de eerste twee groepen van Rawagede en Zuid-Sulawesi nog werd aanvaard dat dit de weduwen waren die in aanmerking kwamen voor schadevergoeding, wordt nu elke zaak individueel op datum, locatie en identiteit betwist.”

Zegveld heeft geprobeerd met ambtenaren van de betrokken ministeries, Buitenlandse Zaken en Defensie, over die aanpak te praten. Maar volgens haar is het probleem dat er niet één gesprekspartner is. De betrokken ministeries zijn het volgens haar „niet per se met elkaar eens”.

„Defensie is de lastigste. Steeds doet Defensie alsof ze zich hard maakt voor de manschappen die destijds gediend hebben. Daarom zou er niet een groot gebaar gemaakt kunnen worden naar de slachtoffers. In werkelijkheid laat Defensie het probleem bij de manschappen. Maar zij hebben gehandeld in opdracht van Defensie. Dit gaat over een staat die een fout beleid heeft gevoerd, en dat totaal heeft laten ontsporen. Maar dat wil men niet toegeven. Heel slim gedaan. In feite speelt Defensie de militairen uit tegen de slachtoffers. Dat vind ik laakbaar.”

Zegveld vindt de vraag gerechtvaardigd of het recht wel het geschiktste instrument om dit soort historische misstanden te herstellen. „Maar als advocaat heb ik cliënten en die hebben een probleem. Ik vind het aanmatigend als mensen van buitenaf zeggen: het moet maar eens klaar zijn. Want voor deze slachtoffers is het helemaal niet klaar. Zij staan er mee op en gaan ermee naar bed.”

Volgens haar is de Indonesische kwestie niet een geschiedkundig probleem. „Het is op individueel niveau gewoon actueel. En er is een weg in het recht. De rechter heeft geoordeeld. De rechtbank heeft tegelijk ook gezegd: wij wijzen dit vonnis alleen voor slachtoffers die nog in leven zijn.”

Zegveld onderschrijft dit. Zij dacht aanvankelijk dat het oordeel van de rechtbank alleen voor de weduwen gold. Daar ging ze anders over denken toen zich de kinderen van omgekomen burgers meldden. „Die zaten gewoon als jongens van zeven jaar te kijken hoe die mannen allemaal werden neergeknald. Onder wie hun eigen vaders. Nonsens om te zeggen: ‘hier stoppen we’. Dat is dan niet aan mij. Laat dat de rechtbank dan maar zeggen. Ik ben geen historicus of rechter. Ik speel mijn rol. Dus die zaak hebben we wel voor de rechter gebracht, en die heeft gezegd dat er geen grond is om onderscheid te maken tussen kinderen en weduwen. Het recht is ook geschreven voor de kinderen. Zolang deze mensen leven, is er maatschappelijke relevantie.”

Volgens Zegveld is het wel de vraag of de weg van genoegdoening per se via de rechtbank moet lopen. Is er beleid mogelijk en kan het worden opgelost buiten de rechtbank? „Dat moet volgens mij kunnen. De staat heeft na Rawagede gedacht en gehoopt dat de kous af was. We dachten dat het de eerste en de enige zaak was. Maar toen kwamen al die nieuwe gevallen. En ik heb de vraag gesteld of we het niet op een andere manier konden oplossen. Het antwoord was: na Rawagede moet het klaar zijn. Je ziet een soort kramp optreden.”

De vrees bij de staat dat er vanuit Indonesië misbruik gemaakt zou worden van een regeling voor oorlogsslachtoffers, is volgens Zegveld overdreven. „Er zal best wel eens een zaak bijzitten die niet hard is te maken of die bij nader inzien anders blijkt te zitten. Maar in grote lijnen klopt het gewoon.” De staat zou naar de mening van Zegveld met een civiel regeling voor de nabestaanden van de slachtoffers kunnen komen. Maar daarvoor ontbreekt volgens haar met name bij de demissionaire premier Mark Rutte (VVD) de politieke wil. „Als die wil er is, is dit zo op te lossen. Het gaat nu anders dan destijds onder minister Timmermans (Buitenlandse Zaken 2012-2014, PvdA). Onder zijn leiding kwam een civiele regeling tot stand voor weduwen van Rawagede en Sulawesi. Maar nu zitten we weer met eindeloos gedoe in individuele zaken. Dit is bij uitstek iets waarbij Rutte een rol kan spelen.” Zegveld verwijst naar het optreden van de premier vorig jaar bij het tv-programma Zomergasten. „Hem werd gevraagd of het raar was dat Nederland misdaden van eigen militairen in Indonesië heeft laten verjaren, terwijl we misdrijven uit de Tweede Wereldoorlog nog steeds vervolgen. Hij gaf geen antwoord op die vraag. Moest het nog eens bestuderen. Hij laat het bewust lopen en dat is heel schadelijk.”