Wat Denis Johnson schreef behoorde tot de beste literatuur

Denis Johnson (1949-2017), schrijver

De Amerikaan Denis Johnson was vooral een writer’s writer: de rauwe poëzie in zijn zinnen maakte hem een van de grootste stilisten. Hij leidde een turbulent leven, reisde naar brandhaarden en schreef daarover.

Foto Cindy Lee Johnson

De grootste nog levende stilist leeft niet meer. Denis Johnson, de Amerikaanse schrijver die vooral bekendheid verwierf met zijn verhalenbundel Jesus’ Son (1992) en de met een National Book Award bekroonde roman Tree of Smoke (2007) stierf afgelopen woensdag, 67 jaar oud. Een oorzaak werd niet gegeven.

Hij was een writer’s writer die zich waagde aan verschillende metiers – proza, poëzie, toneeltekst, journalistiek en essayistiek – en een keur aan onderwerpen en genres. Hij beschreef de binnenwereld van een academicus en weduwnaar in The Name of the World (2000) en het leven van ontwortelde junks in Jesus’ Son. Hij schreef een puntgave novelle over een dagloner in het Amerikaanse Westen (Train Dreams, 2002) en evocatieve, sinistere romans over brandhaarden wereldwijd, waaronder Vietnam (Tree of Smoke), El Salvador (The Stars at Noon, 1986) en het grensgebied van Oeganda en Congo (The Laughing Monsters, 2014).

Hoezeer die werken ook van elkaar verschillen, ze zijn verbonden door het samenspel van loutering en teloorgang, door een wereldbeeld waarin chaos centraal staat, en door een altijd herkenbare stijl. „De waarheid is dat ik gewoon zinnen schrijf”, zei hij ooit. Die zinnen, die ongeacht de vorm die hij koos altijd doordrongen zijn van rauwe poëzie, behoorden tot het beste wat de Amerikaanse literatuur voortbracht.

Voor journalisten was hij onbenaderbaar, maar dat gold niet voor collegae. Toen ik vorig jaar voor deze krant de Iowa Writers’ Workshop bezocht, waar Johnson les kreeg van (en sterk beïnvloed werd door) Raymond Carver, liep ik hem net mis – hij had de week tevoren voor een klein gezelschap een proeflezing van nieuw toneelwerk gehouden. Maar studenten spraken met opvallend ontzag over dat bezoek, verbaasd door de toeschietelijkheid en openhartigheid van een man met de reputatie van een mokkende kluizenaar.

Drank en drugs

Dat gebrek aan kapsones kan moeilijk los worden gezien van de crises die hij in zijn leven moest overwinnen, en de lange adem die hij als schrijver had. Johnson kwam ter wereld in München, waar zijn vader gestationeerd was namens het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, wat hem in zijn jonge jaren ook nog naar Japan en de Filipijnen zou brengen. Hij debuteerde al in 1969 met een poëziebundel, maar moest nog tot de 21e eeuw wachten voor de grote prijzen en nominaties kwamen, met name voor Tree of Smoke en Train Dreams. In de jaren zeventig was hij aan de drank en de drugs geraakt, wat zijn productiviteit sterk verminderd had. Ook was hij een tijdje dakloos, een ervaring die de basis vormde voor het essay ‘Homeless and High’, dat in The New Yorker verscheen.

Distortion en lyriek

Nadat hij die verslavingen overwonnen had, raakte hij als auteur op stoom. Hij reisde veel, naar vaak moeilijke gebieden, en zocht in Amerika de rust van het rurale Idaho en Arizona op. Hoewel hij beïnvloed was door vele auteurs en artiesten, noemde hij zelf altijd deze als blijvende: Dr. Seuss, Dylan Thomas, Walt Whitman, T.S. Eliot en de gitaarsolo’s van Eric Clapton en Jimi Hendrix. Die laatste twee zijn tekenend, gezien het huwelijk tussen gruizige distortion en lyriek dat ook Johnsons werk kenmerkt.

Hoezeer zijn reputatie gegroeid was, met name in de afgelopen vijftien jaar, blijkt wel uit het feit dat hij, als outsider weliswaar, steeds vaker genoemd werd als mogelijke Nobelprijswinnaar. Hoewel hij die prijs waarschijnlijk nooit zou hebben gekregen – te idiosyncratisch, te zeer de writer’s writer – heeft zijn overlijden die waarschijnlijk nu tot zekerheid gemaakt.