Recensie

Terug naar de jaren tachtig in Carpe Diem

Foto Rien Zilvold

Het buurtje heeft van zichzelf al iets anachronistisch. Met de seksclubs Lido en OQ, wietloket Nemo en nog een paar verduisterde bars op de vier hoeken van de Nieuwe Binnenweg en de ‘s-Gravendijkwal is het alsof de tijd hier decennialang heeft stilgestaan. Dat effect wordt nog eens verdubbeld als je op nummer 105 van laatstgenoemde straat bij Carpe Diem binnenstapt. Het Italiaanse restaurant is pas een maand of zes open, maar eenmaal over de drempel weet je niet beter of het moet er al sinds de jaren tachtig zitten.

Enorme kroonluchters aan het plafond, fotobehang van een Italiaans steegje langs de gehele zijde van een muur, zware roomkleurige gordijnen en dito tafellinnen, overal vaasjes met gipskruid en witte rozen, een tapkast van het allerdonkerste eiken, klassieke muziek op de achtergrond. We nemen met open mond plaats bij de koelvitrine met verse vis en schaaldieren die nog van iets recentere datum is, want bewaard gebleven uit de boedel van Pasta Genova, het zaakje dat hiervoor op dit adres was gevestigd. Vanaf onze tafel kijken we uit op de keuken, waarvoor twee koks van Sicilië en een kokkin uit Rome zijn gerekruteerd.

Eigenaar Sebastiano (25) is zelf ook half-Siciliaans, vertelt hij, maar groeide vanaf zijn twaalfde op in Rotterdam. Na een teleurstellend horeca-avontuur in Glasgow („Ze willen daar room in de spaghetti carbonara”) keerde Sebastiano anderhalf jaar geleden terug naar Rotterdam, hernieuwde hier zijn verkering met zijn jeugdliefde, de Oekraïense Maria, en gezamenlijk runnen ze nu Carpe Diem.

Carpe Diem is een ristorante, geen pizzeria, dus je eet er net zo deftig (en tegen stevige prijzen) als dat je er zit. Om de culinaire ambities te onderstrepen, worden alle groenten, vis en vlees wekelijks vers geïmporteerd uit Italië. Sebastiano zelf draagt volop bij aan de beoogde ‘Italiaanse sferen’ door zijn gasten om de paar zinnen nog maar eens duidelijk te maken waarom hij het allemaal doet. Om de ‘páaaasssie’, zoals dat dan in gloedvol Siciliaans klinkt. Met het interieur van zijn restaurant vormt Sebastiano een attractie op zichzelf.

Onze maaltijd begint met een vellutata als amuse; een fluwelig soepje van pompoen, wortel, krokante prei en olijfolie, dat meteen de hoogste verwachtingen wekt. Dat doen ook de insalata caprese, met gerookte mozzarella (14,50 euro) en de linguine met tomaat en ricotta (15,50 euro). Maar met die beloftevolle binnenkomers blijken we het lekkerste dan wel te hebben gehad.

Het dagmenu van 35 euro bestaat uit een royale fruits de mer, een met ricotta gevulde ravioli gecombineerd met asperges en sauzen in drie kleuren, en filets van zeebaars als laatste gang. Alles niet beter of slechter dan je het in een willekeurige toeristentent opgediend zult krijgen, dus alleen gedenkwaardig omdat een deel van dat menu wordt geserveerd op een spiegel. Ja, hoe eighties wil je het hebben

Alles niet beter of slechter dan je het in een willekeurige toeristentent opgediend zult krijgen

Mijn tagliata di manzo (35 euro) moet het van een dienovereenkomstige verrassing hebben. De runderreepjes van vlees dat 55 dagen aan de lucht gedroogd is, verschijnen op tafel op een leisteen, die verder is bekleed met een enkel gebakken aardappeltje, een forse pluk rucola en wat kunstig opgebrachte druppeltjes balsamico en eetbare bloemetjes. Met een paar vorkprikjes ben je door het schilderijtje heen en blijft het vooral de indruk hangen dat je kitsch hebt gegeten.

Maar enfin, dat gebeurt me als gerede twijfelaar aan kostbaar, want dry aged-‘gepimpt’ vlees als hoofdgerecht ook elders vaak genoeg wel. Siciliaans of anderszins, het is en blijft toch fantasieloos en sterk overgewaardeerd, duur eten. Zeker een Italiaan zou er niet mee moeten willen wegkomen. Om met Sebastiano zelf te spreken: waar is in dit geval de echte ‘páaaasssie’?

is culinair recensent.