Column

Liever energie dan links-rechtsdenken

De Franse president Emmanuel Macron heeft een regering gevormd met mensen uit meerdere partijen uit het politieke centrum. Ze wekken allemaal de indruk dat ze met iets volslagen nieuws bezig zijn. Met iets vernieuwends, dat de democratie nieuw elan kan geven. „Ik kies het beste van rechts, links en het centrum”, verklaarde Macron. „Samen geven wij Frankrijk zijn optimisme en geloof in de toekomst terug.”

Hetzelfde lukt in Nederland vreemd genoeg niet. Al weken proberen vertegenwoordigers van middenpartijen een coalitie te vormen. Zou het helpen als, zeg, een VVD’er of PvdA’er een nieuwe ‘beweging’ oprichtte waarbinnen verveelde politici van diverse centrumpartijen een enthousiaste doorstart kunnen maken, zoals hun Franse collega’s? In Oostenrijk probeert een jonge minister, Sebastian Kurz, hetzelfde te doen als Macron, maar dan op rechts. Links en rechts hebben daar zoveel coalitieregeringen gevormd dat je de verschillen nauwelijks meer ziet. Het systeem teert vooral nog op cliëntelisme. Zelfs ministers zijn erop uitgekeken. Kurz heeft de conservatieve partij omgedoopt tot ‘Lijst Kurz’ en opengegooid voor buitenstaanders.

Linkse en rechtse partijen worden door de globalisering die zijzelf in gang hebben gezet, haast overbodig gemaakt. Vroeger hadden ze conflicterende visies op de samenleving. Als ze aan de macht kwamen, voerden ze die uit. Nu amper: je kunt niet meer radicaal nationaliseren, of hele pensioenstelsels omspitten – je wordt op Wall Street of in de Eurogroep meteen afgestraft. Wat links van rechts onderscheidt, is vooral het persoonlijk charisma van partijkopstukken en een paar minder belangrijke onderwerpen. Regeringen bestaan tegenwoordig uit managers. Martin Bruncko, voormalig Slowaaks minister van economie, zei ooit dat hij in Slowakije, ingebed in de EU, die weer ingebed was in de mondiale economie, zo weinig vrijheid had dat hij zich meer een EU-bureaucraat voelde. Hij verliet de politiek.

Daarbij is er na 1945 in Europa een brede, stille consensus ontstaan over grote thema’s. De Duitse literatuurwetenschapper en filosoof Hans Ulrich Gumbrecht, die aan Stanford doceert, heeft er een woord voor bedacht: ‘Sociaal-democratisme’. Veel Europeanen, zegt hij, willen sociale ongelijkheid beperken, ze hechten aan ecologische waarden, zijn pacifistisch en geloven dat de staat voor een betere toekomst moet zorgen. Deze mix van mild socialisme en verdund kapitalisme, is gebaseerd op de overtuiging dat gelijkheid in de samenleving heel belangrijk is – heel anders dan het Amerikaanse systeem, dat vrijheid juist hoger in het vaandel heeft. Alle discussies over dit ‘sociaal-democratisme’ gaan per definitie over gradaties.

Dit heeft Europa welvarend en vreedzaam gemaakt, betoogde Gumbrecht laatst in een essay in de Neue Zürcher Zeitung. Maar er is ook een nadeel: in dit systeem is beperkt plaats voor risico, tomeloze ambitie of genadeloze competitie. Terwijl: „Machtslust en intensiteit van leven werken motiverend, zwengelen nieuwe projecten aan, geven ons vleugels naar de toekomst. Ze laten ons dansen.”

Terug naar Macron. Hij heeft begrepen dat decennialange consensus en de groeiende verkleving van links en rechts politieke energie en creativiteit hebben gesmoord. Hij ziet ook dat veel Europeanen om die reden aandacht besteden aan extreme partijen – soms meer om die als breekijzer te gebruiken dan om hen aan de macht te helpen. Dus brengt Macron die politieke energie terug naar het midden, door dat stevig om te woelen. Voorlopig werkt het. Wat het effect is, weet nog niemand. Verwacht binnenkort meer van dit soort initiatieven, overal in Europa.

Caroline de Gruyter schrijft elke week over politiek en Europa