Hielp Van Beuningen de vijand?

Oorlogskunst

Moet Museum Boijmans Van Beuningen honderden oude tekeningen afstaan? In Rotterdam begint donderdag een rechtszaak waarin het oorlogsverleden van D.G. van Beuningen voor het voetlicht komt.

Een van de tekeningen die de erven Koenigs claimen: van Cornelis Anthonisz uit 1540

„Museum Boijmans Van Beuningen” – Arnold Heertje krijgt de volledige naam van het Rotterdamse museum niet over zijn lippen. De emeritus hoogleraar noemt het „een schandaal” dat de naam van Daniël George van Beuningen (1877-1955) nog altijd aan het museum is verbonden. Wat hem betreft is de naamgever van het museum door zijn amorele handelsgeest een misdadiger. Heertje: „Die man deed gemene zaken met de nazi’s door rechtstreeks kunst te verkopen aan Göring en Hitler. Handelen met de vijand, dat is een van de meest kwalijke dingen in oorlogstijd.”

Havenbaron D.G. van Beuningen.

Half oktober werd het oorlogsverleden van D.G. van Beuningen in NRC kort uit de doeken gedaan. De aanleiding was een claim van zes erven van Franz W. Koenigs (1881-1941), een zakenman en kunstverzamelaar uit Haarlem. De erven eisen honderden waardevolle tekeningen van oude meesters op, die hun (over)grootvader in de jaren dertig aan Museum Boijmans in bruikleen heeft gegeven. De eerste zitting van de rechtszaak tegen het museum en de gemeente Rotterdam is donderdag 1 juni.

De vraag waarover de rechtbank Rotterdam moet oordelen, is of de geclaimde tekeningen deel uitmaken van de zogenoemde ‘Koenigs-collectie’ die in april 1940 door Van Beuningen werd gekocht, en niet veel later deels aan Museum Boijmans is geschonken. De erven Koenigs stellen dat het om een andere bruikleen gaat, en dat de geclaimde tekeningen dus nooit door Van Beuningen zijn gekocht.

In het eerste bericht over de claim kwamen beide partijen aan het woord. „Het museum heeft mijn grootvader en ons misleid”, zei Christine Koenigs, een van de zes eisers.

Museumdirecteur Sjarel Ex wees op een eerdere claim van Christine Koenigs. Via de Restitutiecommissie, en uiteindelijk de Raad van State, probeerde zij vanaf 1997 de hele Koenigs-collectie terug te krijgen. Die claims werden alle afgewezen. Wie neemt mevrouw Koenigs nog serieus, vroeg Ex zich hardop af.

In de dagvaarding van de zaak die 1 juni begint, wordt het oorlogsverleden van D.G. van Beuningen opgerakeld. Een artikel over die weinig bekende feiten (‘Het bedrog van Van Beuningen’, NRC 19 oktober) werd door het museum in een ingezonden brief aan NRC afgedaan als een „oud verhaal” met de „gebruikelijke verdachtmakingen”. De opinieredactie weigerde de brief te publiceren omdat de auteur, conservator Albert Elen, vooral uitweidde over de eerder afgewezen claims van Christine Koenigs. Over het oorlogsverleden van Van Beuningen zweeg Elen.

De afgewezen brief werd op 2 november alsnog wijd verspreid toen directeur Sjarel Ex hem opnam in een mail aan alle relaties van het museum. Daarin legde Ex uit dat hij het ongepast vond om in te gaan op de handelwijze van Van Beuningen, zolang de claim van de erven Koenigs onder de rechter is.

Wat zijn die feiten, en hoe worden ze door deskundigen geïnterpreteerd? Een inventarisatie, inclusief commentaar van Museum Boijmans Van Beuningen.

Havenbaron

Franz Koenigs (1881-1941) was een Duitse zakenman en collectioneur die in de jaren twintig met zijn gezin naar Nederland verhuisde. In 1931 kwam hij in financiële problemen en beleende hij zijn kunstcollectie bij de Amsterdamse bank Lisser & Rosenkranz. In 1935 kreeg Museum Boijmans de collectie in bruikleen.

Toen de nazi’s oprukten in Europa besloten de Joodse bankeigenaren de komst van de troepen van Hitler niet af te wachten en hun bezittingen in april 1940 te liquideren. Boijmans-directeur Hannema vreesde de Koenigs-collectie kwijt te raken en benaderde Van Beuningen met het verzoek de collectie voor het museum aan te kopen.

De twee mannen hebben daarna gezamenlijk Koenigs en de bankeigenaren misleid. Die conclusie trekt historicus Harry van Wijnen, in zijn in 2004 gepubliceerde Van Beuningen-biografie Grootvorst aan de Maas. De zakenman beloofde de collectie integraal aan het museum te schenken. Op die voorwaarde gingen de bankeigenaren akkoord met het bod dat ver onder hun vraagprijs lag, maar dat volgens Hannema „gegeven de omstandigheden” redelijk was: 1 miljoen gulden.

Uit dankbaarheid „dat de collectie in Holland is gebleven” schonk Franz Koenigs het museum nog twee kostbare oude tekeningen. De verzamelaar kon niet bevroeden dat Van Beuningen een verborgen agenda had. Hij had geld nodig en was van meet af aan van plan een deel van de collectie te verkopen, onthulde Van Wijnen in zijn biografie. Al voor de Duitse inval liet hij de collectie taxeren.

Dr. H. Posse, Hitlers kunstinkoper. Foto Museum Boijmans

Van Beuningen wist dat Dr. Hans Posse belangstelling had voor de honderden Duitse tekeningen in de Koenigs-collectie. Posse was een Duitse kunsthistoricus die in 1939 van Hitler de opdracht had gekregen om een collectie samen te stellen voor het Führermuseum in het Oostenrijkse Linz. Dat moest het mooiste en grootste museum ter wereld worden. Met confiscaties bij Joden en door aankopen moest Posse die droom realiseren.

Na maanden van heimelijke onderhandelingen verkocht Van Beuningen in december 1940 voor 1,4 miljoen gulden eenvijfde deel van de Koenigs-collectie. Met die illegale transactie verdiende hij het aankoopbedrag van de collectie dus ruim terug. Van Beuningen haalde er nog vier schilderijen van Rubens uit voor zijn privé-verzameling, en doneerde het restant aan Boijmans. Van Wijnens conclusie: „Als koopman had Van Beuningen de slag van zijn leven geslagen, maar als Nederlands staatsburger in bezettingstijd was hij over de schreef gegaan.”

Van Wijnen haalt in zijn biografie Van Beuningens schoonzoon Lucas Petterich aan, de man die de onderhandelingen met Posse had gevoerd. Toen hij later op de zaak terugkeek zei hij, aldus de overlevering in de familie: „Vader schonk de tekeningen uit de Koenigs-collectie aan Boijmans omdat hij wel moest. Hij wist donders goed dat ze de streek die hij het museum had geleverd niet zouden vergeten. Met zijn gift kon hij die streek niet ongedaan maken, maar wel bedekken.”

In een andere studie, het in 2002 verschenen Betwist Bezit, beschrijven Eelke Muller en Helen Schretlen hoe Van Beuningen in 1941 nóg eens negentien schilderijen aan het Führermuseum verkocht.

Ditmaal verstond Van Beuningen zich ook rechtstreeks met Dr. Posse. In het Bundesarchiv in Koblenz bevindt zich een op 4 februari 1941 geschreven brief van Van Beuningen. De zakenman informeerde of Posse vorderingen maakte met zijn opdracht van Hitler: „Haben Sie noch schöne Sachen ankaufen können?

Na de oorlog probeerde Van Beuningen aannemelijk te maken dat zijn tweede verkoop aan Hitler door de Nederlandse museumwereld was afgedwongen. De opbrengst, 1,6 miljoen gulden, had hij immers gebruikt voor de aankoop van een aan Johannes Vermeer toegeschreven schilderij (dat later een vervalsing bleek te zijn), een doek waar Göring ook een oogje op had en dat Van Beuningen zo toch maar mooi uit handen van de Duitsers had gehouden.

Die verdediging voerde Van Beuningen aan bij de Stichting Nederlands Kunstbezit, die vanaf 1946 toezag op de teruggave van uit Duitsland gerepatrieerde roofkunst. Ook de schilderijen die Van Beuningen in 1941 aan Hitler had verkocht, waren gerecupereerd.

Van Beuningen zat zelf ook in het stichtingsbestuur. Van zijn medebestuursleden mocht hij de werken terugkopen. Maar de landsadvocaat en de minister blokkeerden dat. Zij oordeelden dat Van Beuningen de schilderijen toch echt uit vrije wil aan Hitler had verkocht.

Na diverse brieven en vergaderingen kreeg Van Beuningen in 1950 toch zijn zin en mocht hij de schilderijen voor 290.000 gulden terugkopen, de getaxeerde waarde op dat moment.

„Onbegrijpelijk”, stelt Van Wijnen in zijn biografie. De regering stelde Van Beuningen dus in staat de schilderijen die hij in 1941 vrijwillig voor 1,6 miljoen gulden aan Hitler had verkocht, negen jaar later voor een veel lagere prijs terug te kopen.

Economische collaboratie

Veel kleine zakenlieden zijn na de oorlog veroordeeld voor economische collaboratie. Ook de verkoop van schilderijen aan Duitsers is door het Bijzonder Gerechtshof indertijd aangemerkt als ‘hulpverlening aan de vijand’. In 1949 werden twee kunsthandelaren veroordeeld voor de verkoop van schilderijen. De een kreeg een boete van 20.000 euro, subsidiair één jaar gevangenisstraf opgelegd, de ander een gevangenisstraf van drie jaar.

Waarom Van Beuningen nooit is vervolgd? De militair die in de zomer van 1945 strafvervolging wegens handel met de vijand tegen Van Beuningen voorbereidde, moest zijn onderzoek staken op last van het Geallieerde Opperbevel.

Overheden zagen het als een vorm van zelfmoord om hen aan te pakken

Veel captains of industry zijn de dans ontsprongen, zegt Joggli Meihuizen, in 2003 gepromoveerd op economische collaboratie en de naoorlogse bestraffing daarvan. In zijn dissertatie komt Van Beuningen niet voor; de zakenman is immers nooit bestraft. Bij de zuivering ging de aandacht vooral uit naar zaken waar het volk aanstoot aan had genomen, zegt de jurist. „De meer tastbare vormen van collaboratie dus, zoals bunkerbouwers. Veel feiten waren bovendien niet publiekelijk bekend. Er was geen druk van buitenaf.” Ook liepen de opsporingsdiensten, volgens Meihuizen, met een boog om lastige zaken heen.

Ten slotte, stelt Meihuizen, maakte Van Beuningen deel uit van het wij-circuit, de elite die in Nederland aan de touwtjes trok. „Zakelijk, en ook familiair, zat Van Beuningen tot over zijn oren in het wij-circuit. Overheden zagen het als een vorm van zelfmoord om hen aan te pakken. Het belang van de wederopbouw moest prevaleren boven het belang van een eerlijke en grondige berechting van economische collaborateurs.”

Handtekening

In 1958, drie jaar na zijn dood, werd Museum Boijmans mede naar Van Beuningen vernoemd. Een idee van Coert Ebbinge Wubben, de toenmalige directeur. Hij aasde op de kunstcollectie van Van Beuningen, met onder meer zijn werken uit de Koenigs-collectie.

Met de erven was overeenstemming bereikt: voor 18 miljoen gulden zou de gemeente Rotterdam de kunstverzameling van de havenbaron aankopen. Daarvoor was een geldlening van de overheid nodig. Die liet lang op zich wachten. In een brief aan Jo Cals, de verantwoordelijke minister, waarschuwt de Rotterdamse wethouder van Financiën op 25 juli 1957 dat haast was geboden. „De zoon van wijlen de heer Van Beuningen wordt ongeduldig en is bezig te sonderen hoe en waar deze verzameling het voordeligst kan worden geveild.”

Na de toegezegde naamswijziging van het museum zette de weduwe Van Beuningen haar handtekening onder het koopcontract. Enkele Rotterdammers die wisten van het oorlogsverleden van Van Beuningen tekenden volgens Van Wijnen bezwaar aan. Maar die protesten leidden tot weinig ophef. Niet zo gek, zegt Van Wijnen: „Nederland stond eind jaren vijftig nog met één been in de regententijd.”

Smet

Na de onthullingen over Van Beuningen uit Betwist Bezit en de biografie van Van Wijnen correspondeerde Arnold Heertje in 2004 met het Rotterdamse museum. Hij verweet de directie dat zij „meelopers met de nazi’s, zoals Van Beuningen, de hand boven het hoofd bleven houden”.

Directeur Ex stuurde de econoom een lange brief terug. Over zijn voorganger Hannema, de museumdirecteur die in 1940 met Van Beuningen samenspande bij het misleiden van Koenigs en de eigenaren van de bank Lisser & Rosenkranz, liet Ex zich kritisch uit. „De Deutschfreundliche houding van Hannema in de Tweede Wereldoorlog is een zwarte bladzij uit de geschiedenis van het museum.” Over de transacties van Van Beuningen met Hitler in de lange brief geen woord.

Arnold Heertje is niet de enige die moeite heeft met de naam van het museum. Ook voor Ronny Naftaniel, oud-directeur van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) en nog altijd woordvoerder van het centrum, zit „er een smet op de naamgeving van het museum”. Hij zegt: „Van Beuningen heeft gedurende de bezetting uit vrije wil nationaal erfgoed aan de nazi’s verkocht. Hij heeft ook willens en wetens profijt getrokken van de penibele situatie waarin de Joodse bankiers van Lisser & Rosenkranz verkeerden.”

Dat dubieuze gedrag is met de mantel der liefde bedekt, zegt Naftaniel. „Men heeft weggekeken omdat hij voor het museum veel heeft betekend. Maar hoe verder de geschiedschrijving is gekomen, hoe groter wat mij betreft het vraagteken over zijn naam op het museum.”