Column

Hahaha

Georgina Verbaan

Vanaf een uur of zeven des ochtends legt een speervormige geluidsgolf van knerpend en krassend metaal 5 meter af, en vormt op die manier een robuuste brug van geluid tussen de overkant van de straat en mijn gehoorgang, waar het zich naar binnen vreet en met ijspriemen verankert in mijn hersenpan. Dan wordt er een radio aangeknipt. De zichzelf feliciterende stemmen van ochtend-dj’s hobbelen jolig over de brug en komen nog even om hun eigen grappen staan lachen zodra ze in mijn oor zijn en bij mij naar binnen kijken. „Haha! Deze lijkt nog te willen slapen. Hahaha!”, roepen ze dan tegen elkaar, terwijl ze zich op de dijen slaan. De mannen die de radio hebben aangezet murmelen mee, of schreeuwen eroverheen.

Er is ook één man die zich steevast van een gefloten deuntje bedient, het soort dat zich uitstekend leent voor films over seriemoordenaars die plezier in hun werk hebben en voor geen goud vervroegd met pensioen zouden gaan. Ook al is moorden en slappe zware lichamen vervoeren fysiek soms uitputtend en drukken het gewicht van geheimhouding, het gebrek aan erkenning en feedback van collega’s zo nu en dan zwaar op hun gemoed.

Het zijn werklui. Om vijf uur word ik wakker en kijk ik om het kwartier op mijn telefoon om te zien of ze weldra hun entree op de steiger zullen maken. Nee, nog niet, constateer ik dan. En dan probeer ik weer te slapen.

Dit herhaalt zich tot half zeven. Dan stort ik een nachtmerrie in, blijf vallen, tot de luchtbrug zich plots manifesteert en ik, met als enige zekerheden het aanhoudende gekras en de priemen in mijn hersenpan, boven een ravijn bungel. Naakt. Rond een uur of acht is het klaar met de schuurmachines, de hamers en de grappen. Dan gluur ik door de gordijnen en staan ze heel lief te schilderen op een rijtje.

Dat is natuurlijk allemaal prima, dingen moeten gebeuren, maar de geruststellende wetenschap dat ik thuis geen mens hoef te zien kan dan verkreukeld de prullenbak in want ze staan praktisch voor mijn raam. De gordijnen houd ik dicht. Dat doe ik ook weleens als de overbuurman vanaf zijn balkon bij mij naar binnen staart. (Hoi buurman! Ik weet niet of u deze krant leest, maar soms is het net alsof u in gedachten mijn woonkamer opnieuw staat in te delen. Mocht u tot een praktischer schikking komen dan hoor ik het graag. Die piano is het struikelblok, niet?)

Gisterochtend toog ik, aangestoken door het werkethos van de heren, met een sopje Biotex en soda naar het balkon op zolder. Ook omdat ze me daar niet kunnen zien. Met een grote borstel ging ik mos en algen te lijf. Ik was lekker bezig, en de groene spetters vlogen in het rond, tot ik mannen hoorde. Het kwam van een ander balkon op acht meter afstand. Ja hoor, twee grote mannen maakten een hek en deden gekke stemmetjes.

Ik glibberde met mijn blote voeten over de bemoste planken en donderde zo een hoekje in waar ik dacht dat ze me niet konden zien. Tegen het hek gedrukt bewoog ik nog wat op en neer met de borstel terwijl ik ze in de gaten hield. Maar het was al te laat. „Ik zie je wel hoor.” De joligheid. De stemmetjes. De spetters mos in mijn gezicht. Ik ben naar binnen gegleden en heb de deur dicht gedaan.