Fietswrak

Zoals op vele andere plekken in Amsterdam zijn de fietsrekken voor mijn deur vaak druk bezet. Daarom moet een oud, al lang niet meer gebruikt barrel, dat aan zo’n ‘nietje’ zit vastgeklonken, maar eens weg. Die burgerplicht neem ik op mij. Ik doe keurig melding van het fietswrak.

Als er na enige tijd nog niets is gebeurd met het zwarte vehikel en z’n lege banden bel ik nogmaals. Het stadsdeelkantoor is vlakbij, maar in mijn oor klinkt het kosmopolitisch: „For English, press one.” Na het telefoonmenu krijg ik een echt mens aan de lijn. Hij blijkt op het stadhuis te werken. Volgens een e-mail zou het fietswrak „afgehandeld” zijn, maak ik duidelijk, maar nog steeds hangt het verweesd aan een nietje.

„Afgehandeld?” zegt de ambtenaar, „dat wil alleen nog maar zeggen dat uw bericht is gelézen.”

In ambtelijk jargon is afhandelen net zoiets als lezen. „Maar blijft u aan de lijn, dan neem ik contact op met uw stadsdeel.”

Het duurt een tijdje voordat de ambtenaar een van zijn collega’s, die op vijf minuten lopen van mijn huis werken, te pakken heeft. Mijn melding is inderdaad opgemerkt, krijg ik te horen op een toon alsof hier een geweldige prestatie is geleverd. Er moet echter een termijn van zes weken zijn verstreken voordat tot actie mag worden overgegaan. En mijn melding is pas vijf weken oud. Dus ja.

Drie weken later nogmaals gebeld. Weer dat menu. Dan hoor ik: „… klopt inderdaad, had al gebeurd moeten zijn… is nu doorgeven aan Handhaving… zal binnenkort gebeuren.” Wéér drie weken later hoor ik een ambtenaar ontzettend lang en intensief naar een scherm kijken. „Ja”, roept hij verheugd, „ik zie hem nu staan. Ik bel onmiddellijk met Handhaving.” Dan, met iets van triomf: „Ik heb ze te pakken gekregen. Maar eh, het is niet bij voorbaat zeker dat het een wrak is. Kunt u de fiets beschrijven?” Dat heb ik maanden geleden al gedaan op een digitaal formulier. „Jawel, maar de een noemt iets een wrak als er roest op zit, terwijl de ander er dan nog prima op kan fietsen.”

Misschien kan er iemand even naar komen kijken, opper ik zo kalm mogelijk. Dan kan hij of zij zelf oordelen. „Ja”, moet de ambtenaar toegeven, „dat is een optie.”

In plaats van even te komen kijken doet de ambtenaar na alle telefonades, formulieren, e-mails en ingesprekstonen iets wonderlijks: hij maakt er een splinternieuwe melding van. Met een nieuw registratienummer, zie ik in mijn inbox. Gevolg: een nieuwe periode van zes weken procedureel niets doen.

Bij de rating vul ik in: „ontevreden”. Te meer daar mijn beschrijving van de fiets en de locatie nu zijn weggelaten en het fietswrak aldus in een perpetuum mobile van elkaar bezighoudende ambtenaren lijkt te zijn beland.

Ik geef het op. Naar oud-Amsterdams gebruik zal ik het slot maar gaan doorknippen en de fiets ergens tegen een boom zetten. Is ie binnen een week weg.

Auke Kok is schrijver en journalist.