Recensie

Wie verlichting zoekt moet wild denken

Koen Peeters

Een man zoekt zijn heil in mythische spookverhalen: rijk materiaal over dat wat ondoorgrondelijk blijft.

Illustratie Paul van der Steen

De mensengenezer deed mij onwillekeurig terugdenken aan de tv-documentaire die Max Pam een jaar of tien geleden aan Willem Frederik Hermans wijdde. Een overgevoelige natuur heette de film, en behalve het ruiken aan een zak met lucht uit de werkkamer van de toen al lang en breed overleden Hermans reisde Pam er ook voor af naar een ongerept deel van Noorwegen, waar Hermans ooit onderzoek deed, en waar hij enkele jaren daarna zijn leeslijst-evergreen Nooit meer slapen situeerde.

In die roman loopt de Noorse zoektocht van held Issendorf uit op een deceptie, maar Pam zag daar geen waarschuwing in: hij trok hetzelfde gebied in, op zoek naar sporen van Hermans of de bouwstenen van de roman. Er was geen biet te vinden natuurlijk, en in een memorabel shot zagen we hoe Pam, met een jeep golvend door de drek en onder de voortdurende belegering van muggen, zich hardop afvroeg wat hij hier ook al weer precies had hopen aan te treffen.

In De mensengenezer zien we iets vergelijkbaars. De roman verhaalt in twee verhaallijnen die elkaar afwisselen over twee Belgische mannen die sporen zoeken in het verre Congo. En beiden lijken ze (ik zeg dit voorzichtig, want ik verklap alvast dat Koen Peeters’ intenties mij niet helemáál helder zijn) vergeten te zijn dat de reden voor hun bezoek in de taal te vinden is, in een verhaal, en niet in iets tast- of meetbaars dat zich in Afrika laat traceren.

Peeters strijkt de verhalen doodkalm uit, in plaats van ze zo van een toon te voorzien dat ze ridicuul of geestig overkomen

De eerste man, zijn naam is Remi, is het belangrijkste personage. Hij groeit ergens halverwege de twintigste eeuw op in de West-Vlaamse Westhoek, vlakbij de Franse grens, tussen twee hardwerkende, zwijgzame ouders. Gelukkig is daar oom Marcel, een even praatgrage als vaag formulerende man, die Remi op jonge leeftijd aansteekt met wat we hier maar even ‘spookverhalen’ moeten noemen: hij rept over de geesten en spoken die op of zelfs in de boerenklei rondwaren.

Dat heeft – je schrijft een Vlaamse roman of je schrijft hem niet – te maken met de Eerste Wereldoorlog: de boeren die te diep ploegen lopen het risico om een van de ontelbare, halfvergane lijken uit de grond op te delven. Een soldaat die een speciaal plekje in de oorlogsmaren inneemt is een man uit Congo: hij hield er zulke afwijkende rituelen en zinnen op na dat hij Remi, via de overlevering van zijn oom, er alsnog mee aansteekt.

Dit en een paar andere mythische invloeden zorgen ervoor dat Remi zijn heil zoekt in een kloosterorde; een innerlijke stem wijst hem op zijn bestemming als ‘mensengenezer’, iemand die de aanmodderende, lijdende mens zal moeten helpen verlichten.

Aanmaakblokje

Wie wil weten wat er van zo’n geestelijk dwaallicht terechtkomt hoeft niet te wachten tot de laatste bladzijden van de roman, want de hierboven al vermelde tweede verhaallijn handelt impliciet óók over Remi. Want zoals Remi werd aangestoken door het verhaal van de Congolees, zo werkt het leven van Remi weer als een aanmaakblokje voor een andere, hedendaagse Vlaamse man, die een semi-wetenschappelijke zoektocht begint naar de sporen van deze markante man.

Peeters put zich uit om de vaak hermetische taal die beide mannen tot handelen aanzet te tonen: uit het domein van de literatuur is dat bijvoorbeeld Stijn Streuvels; uit de zogenaamd wetenschappelijke hoek zijn dat mensen als Freud, Lacan en cultureel antropoloog Claude Lévi-Strauss, wiens ‘wilde denken’ – een denken dat niet is ingekaderd door de rede – inderdaad flink van toepassing is op de twee mannen.

En dat werkt op de lachspieren. Soms dan, want het opvallende is dat De mensengenezer geen hardcore ironische roman is. Peeters strijkt de verhalen doodkalm uit, in plaats van ze zo van een toon te voorzien dat ze ridicuul of geestig overkomen. In een dramatische toonzetting heeft Peeters ook al geen trek. Hij laat zijn helden niet, als Issendorf, meteen de handen ten hemel heffen, verontwaardigd en teleurgesteld over de onkenbaarheid van het universum. Bij hem geen groot ontnuchterend inzicht, en omdat hij ook aan de emoties van de personages weinig aandacht besteedt, lees je keer op keer zinnen en alinea’s waar een zekere aanvaarding van het ondoorgrondelijke uit spreekt. Over pater Vanhove lezen we dat hij ‘vaag, vol schroom en haperingen’ doceert, ‘maar gedurfd’. Kortom, Remi en zijn navolger zijn er tot op het laatst echt van overtuigd dat de wereld zich amper laat kennen, en dat er bovendien overal op die wereld, in Congo bijvoorbeeld, heel anders wordt gedacht. Als Remi voor een ‘teruggekeerde voorouder’ van de zwarte Afrikanen wordt gehouden en hij daar tegenin brengt dat hij zelf wit van huidskleur is, lezen we: ‘„Natuurlijk”, zeiden ze, „maar onze voorouders in de aarde zijn ook wit. Wit als beenderen. Zij zorgen voor het wild, de vruchtbaarheid van onze vrouwen en de oogst. Het is goed dat jij op dit moment bij ons bent.”’

Antropoloog

In het laatste hoofdstuk, als Peeters de twee verhaalstrengen bij elkaar brengt, kun je een soort verantwoording lezen. Hierin lijkt hij te zeggen – al moeten zulke beweringen binnen een roman met de nodige achterdocht worden benaderd – dat zijn boek gegrond is in een waargebeurde geschiedenis. Peeters is opgeleid als antropoloog en het heeft er de schijn van dat hij zich voor zijn vertelling heeft laten leiden door de werkelijke realiteit van het veldonderzoek. Een secure weergave daarvan levert nu eenmaal, zoals bij elke realiteit, een minder enerverend geschrift op dan na enige vorm van dramatische compositie.

Je moet als lezer uitkijken met zulk gespeculeer, maar anders kan ik het overwegend vlakke verloop van De mensengenezer niet verklaren. Uiteindelijk is dat nogal jammer, want Peeters had zijn rijke materiaal met veel meer geweld over de lezer uit kunnen storten.