Cultuur

Interview

Foto Jan Dirk van der Burg

Waar blijven de jonge postzegelaars?

Filatelie

Het kost bijna niets meer: postzegels verzamelen. De belangstelling voor deze ooit zo populaire hobby neemt af. „Ik gaf mijn kleindochters een serie Nijntje-postzegels uit Japan. Het eerste wat ze deden: de tandjes eraf knippen.”

Postzegels verzamelen – het lijkt iets uit een andere tijd. De tijd dat er brieven werden geschreven. De tijd van de gulden. De tijd van zondagen waarop de winkels dicht zijn. Een hobby die past bij een Nederland waarin niet zoveel gebeurde, waarin kleine gekleurde plaatjes een venster konden zijn op de grote, onbereikbare wereld van de Andere Landen.

Toch zijn ze er nog, postzegelverzamelaars, en als het nodig is roeren ze zich. Post NL besloot per 1 januari dit jaar de postzegels op aangetekende stukken en pakketten te gaan doorkrassen met een pen. Na heftig protest van de verenigde postzegelverzamelaars – met steun in de rug van internationale regels – keerde het postbedrijf op zijn schreden terug. Vanaf 1 juni moeten alle postkantoren weer over stempels beschikken.

Het aantal verzamelaars neemt wel af. De Koninklijke Nederlandse Bond van Filatelistenverenigingen heeft nog 17.000 leden; begin jaren 80 waren het er 200.000. Clubs fuseren, bonden ook. De vergrijzing lijkt niet te keren. Fotograaf Jan Dirk van der Burg maakte een reportage over de krimpende wereld van de filatelie. Wij zochten twee verzamelaars op om te praten over hun passie.

Foto’s uit de serie ‘De Jeugd van Gisteren’, een verhaal over filatelisten in Nederland.
Foto’s Jan Dirk van der Burg

In een arbeidershuisje in Aalsmeer wonen Cor van Meurs (82) en zijn vrouw Hilda (78). Hilda maakt thee en zet een schaal met mergpijpjes en gevulde koeken op de salontafel.

„Jij hebt er niks mee”, zegt Cor.

Hilda: „Ik heb er helemaal niks mee. Onder elkaar, de vrouwen van, hebben we het over ‘oud papier’.”

Cor: „Ik ben banketbakker van mijn vak. Later ben ik op kantoor gaan werken. Ongeveer 1975. Toen is het begonnen. Omdat ik het zonde vond om ze weg te gooien.”

Hilda: „Je moet erbij vertellen dat je hoofd postkamer werd.”

Cor: „Ik scheurde ze af, knipte ze af. Afweken deden we ook. Sorteren. Ik spaar bruggen, sluizen, viaducten, aquaducten, zoogdieren, noem maar op.”

Hilda: „Hij is er echt zoet mee.”

Cor: „Heel vroeger kocht ik postzegels als belegging. Tien of 25 op een vel. Die hebben we allemaal verkocht en weggeplakt. Het werd helemaal niet meer waard. Het wordt steeds minder waard.”

Hilda: „Ik heb al 28 jaar geen postzegel hoeven kopen.”

Cor: „Je hebt landenverzamelaars en themaverzamelaars. Ik ben een themaverzamelaar.”

Hilda: „Je bent begonnen met aarde, water, lucht en vuur. Daar heb je prijzen mee gewonnen.”

Cor loopt de kamer uit om Aarde, Water, Lucht en Vuur te halen.

Hilda vertelt over haar eigen hobby. „Ik had 8.000 pennen, die heb ik weggedaan. Nu spaar ik eigenlijk niets. Ik moet me wel vaak bedwingen. Dan zie ik weer een pen.”

Cor keert terug met een paar mappen en slaat de eerste open. In de rechte rijen postzegels komt vuur in al zijn gedaantes voorbij. Er is ook tekst: de geschiedenis van het vuur, door Cor van Meurs bij elkaar gezocht en uitgetypt.

Cor: „Er zijn er ook die het in een boek steken en dat is het dan. Ik maak er verhalen van. Met illustraties van postzegels. Postzegels sparen is kennis vergaren.”

Foto Jan Dirk van der Burg

Jeugdavond

Ronald Peters (70) uit Hoofddorp is een landenverzamelaar. Zijn vrouw had ook niets met postzegels. Zij vouwde theezakjes en maakte wenskaarten. Daar had híj weer niets mee. Peters, voormalig directeur van een grafisch familiebedrijf, is voorzitter van postzegelvereniging Haarlemmermeer, een fusie van de verenigingen in Badhoevedorp, Nieuw Vennep en Hoofddorp. Het is met 269 leden de grootste postzegelvereniging van Nederland.

Peters is ook rayonvoorzitter Noord-Holland van het Samenwerkingsverband Filatelie. Het kost hem alles bij elkaar 35 uur per week. Dat heeft een keerzijde: hij doet al dertig jaar niets meer met zijn eigen postzegels. „Ik vond besturen op een gegeven moment leuker.”

Niet dat hij niet meer verzamelt. Zijn abonnementen lopen gewoon door. Wekelijks vallen de nieuw uitgekomen postzegels op de mat. Ze hopen zich op in zijn huis, onuitgepakt, onafgeweekt, ongesorteerd. „Dat ging ik doen als ik met pensioen ging”, zegt hij. Maar hij komt er niet aan toe. „Boven zijn vier kamers, waarvan drie met postzegels. Op zolder kun je niet meer lopen.”

Ronald Peters zit in zijn goede pak aan tafel, later die middag gaat hij naar de crematie van een lid. In de bloeitijd had zijn vereniging zeshonderd leden. Tot een jaar of vijf geleden was er tien keer per jaar een jeugdavond. „Die hebben we moeten stoppen toen er nog één jeugdlid was.” Er is nu één jonge belangstellende in de regio. Die mag nog geen lid worden omdat hij nog geen 18 is. „Hij komt elke maand naar de ruilbeurs met zijn moeder.”

Foto’s Jan Dirk van der Burg

Nalatenschappen

Ruilbeurzen, veilingen en tentoonstellingen zijn het cement van het postzegel-verenigingsleven. Zelfs nu heeft Haarlemmermeer nog 43 activiteiten per jaar. Het aanbod van postzegels neemt alleen maar toe. „Zaterdag is er een veiling” , zegt Peters. „Daar zitten weer drie nalatenschappen bij. Wij verkopen die voor nabestaanden van leden. Uitzoeken. Prijsje aan hangen. Kavelen. Kost gigantisch veel tijd. Geld brengt het niet meer op. Er is veel te veel.”

Met de komst van de euro zijn veel landenverzamelaars gestopt. „Het werd te duur. Er kwamen in Europa steeds meer landen bij. Daar kwamen speciale zegels voor uit. Op een gegeven moment kostte alleen al het blaadje waar je ze op moest plakken 200 euro per jaar.” Het werd aantrekkelijk de verzameling uit het pré-euro tijdperk compleet te maken en het daarbij te laten. Zoals eerder bij Oost-Duitsland. „Het mooie van de DDR was: die hield op te bestaan. Daar kwam toen een run op.”

Tegenwoordig is haast alles thema. „Er is een heleboel van op de markt en het kost niets. Ga je met vijf euro een dagje postzegelen in een ruilbeurs, kom je met honderd postzegels thuis. Ben je toch weer een dag met je hobby bezig geweest.”

Bezig blijven. Dat is het. Toen zijn vrouw ziek werd, zei ze dat hij niet moest stoppen met de club. ‘Dan ben je je contacten kwijt.’ „Daar had ze volkomen gelijk in.”

Hilda van Meurs: „Mensen sparen ook voor elkaar. Ze weten van elkaar wat ze zoeken. ‘Heb je die al?’”

Cor: „Je kent heel veel mensen. Gisteren werd ik nog door Vreeburg gebeld, een handelaar, ga jij donderdag nog naar Badhoevedorp? Ze willen je er per se bij hebben. Eén handelaar zegt: Als jij niet meer komt, kom ik ook niet meer.”

Hilda: „Weet je nog die ene man, bijna 90, hij is nu overleden. Die kwam ook al-tijd. Uit Schagen! Eerst bracht hij zijn hond naar zijn dochter. Voor jij kwam met de sleutel stond hij al voor de deur.”

Cor: „Het is één grote sociale gezamenlijkheid.”

Alleen iets minder groot dan eerst.

Cor: „Vroeger kwam je op een verenigingsavond soms stoelen te kort. Gisteren was ik in Uithoorn: acht man.”

Hilda: „Opa’s proberen hun kleinkinderen mee te nemen. Krijgen ze ijs en weet ik wat. Na drie keer komen ze niet meer.”

Cor: „Neem Yvette!”

Zijn kleindochter.

Cor: „Ze rijdt paard. Ik zeg tegen haar: ‘Ik ga paarden sparen. Voor jou!’ ”

Hilda: „Ik weet dan al precies hoe het gaat.”

Cor: „Ze kwam kijken. Ik ging even naar het toilet. Mooi opa!, zei ze. Goed gedaan! Hoorde ik van haar – knik naar zijn vrouw – dat ze het niet eens had ingekeken!”

Foto’s Jan Dirk van der Burg

Ook Ronald Peters heeft het geprobeerd. „Ik gaf mijn kleindochters van vier à zes een serie Nijntje-postzegels uit Japan. Het eerste wat ze deden was de tandjes eraf knippen, want dat was zo slordig.” Hij kan erom lachen. „Nee, dat was geen succes.”

Cor van Meurs gaat voor naar zolder. Een dunne houten ladder op, witgeverfd. In het plafond stoot hij geroutineerd een luik open met hoofd en schouder.

De zolder is klein. Elke centimeter is benut. Een van de schuine wanden is behangen met postzegelcertificaten, de vele prijzen die Cor gewonnen heeft. Erboven hangen foto’s van uitreikingen, tentoonstellingen, kinderen met bokalen. „Toen was de jeugd er nog.”

Boven zijn bureau heeft hij een houten bak gemaakt voor de zes albums die hij voor zijn kleinkinderen maakt. „Ze krijgen als ik er niet meer ben elk een verzameling Nederlands. Die series probeer ik bij elkaar te krijgen. Compleet.”

„Ik ben er nooit mee klaar. Na het eten ga ik een uurtje naar boven. Ik meet de zegels op. Kijk, hier heb ik een laptoppie staan (hij tilt de hoek van een handdoek op) en een printertje. 2,90 bij 4,5 cm zijn ze, daar maak ik dan kadertjes voor en die print ik uit.”

Die kadertjes zijn de lijstjes waarin de postzegels op de vellen in de albums worden geplakt. Voor andere dingen wordt de laptop niet gebruikt.

Hij weet al precies wie wat krijgt, straks.

„Mijn zoon heeft gevaren in de pleziervaart, die krijgt de schepen. Mijn schoondochter heeft in het buitenland vaak de bruggen gedraaid als er geen brugwachter was. Die krijgt de bruggen.” De dino’s gaan naar de kleinzoon die gek is van dino’s. „En mijn kleindochter krijgt tóch die paarden.”

Ronald Peters maakt zich geen illusies. Zijn kinderen hebben er niets mee. „Ze zeggen: we bestellen een container en schuiven dat spul zo naar buiten.” Hij vindt het jammer, maar pijnlijk wil hij het niet noemen. „Iedereen moet doen wat hij wil.”

Deze film is deze zaterdag (27 mei, 11-16u) ook te zien in een videoinstallatie van Jan Dirk van der Burg op de postzegelmarkt in Amsterdam, Nieuwezijds Voorburgwal 280.