Recensie

Stripgedichten die fantastisch spelen met letterlijkheid

Elke week bespreekt NRC online een nieuw kinderboek. Ditmaal: de derde, beste stripgedichtenbundel, waarin Floor de Goede excelleert.

Eigenlijk gek, dat de ‘stripgedichten’ die Edward van de Vendel en Floor de Goede zo’n tien jaar geleden voor het eerst maakten, nooit navolging hebben gekregen van andere makers. Het bleef – van Opa laat zijn tenen zien (2008) en Draken met stekkers (2010) tot aan het nieuwe De zombietrein – een tweemansgenre, dat niettemin érg goed werkte om kinderpoëzie een nieuwe, toegankelijke, maar toch zeer poëtische vorm te geven.

Misschien komt het doordat stripdichten een kunst apart is: het is nogal een delicaat genre. Als je élke dichtregel van plaatjes moet voorzien ligt het risico van overduidelijkheid enorm op de loer, en dat zou killing zijn voor de poëzie. Dat Van de Vendel en De Goede zich daarvan bewust zijn en het risico van te-veel-vertellen juist in hun voordeel gebruiken, blijkt uit de tweeëntwintig gedichten in De zombietrein, de beste stripdichtbundel tot nu toe.

De letterlijkheid is dubbelzinnig

Met name illustrator Floor de Goede excelleert in een fantastisch verfijnd spel met letterlijkheid. Zie het gedicht ‘Een vader op een berg’, waarin een vader vertelt over zijn bergbeklimvakantie. ‘Het was zwaar, het was moeilijk’, zegt hij tegen zijn dochter, ‘het was verschrikkelijk erg’, en De Goede toont dat: met ijspik en gasmasker klautert hij tot boven de wolken. Dat is, kortom, letterlijk wat er beschreven wordt – maar de clou is dat het een fabeltje is. ‘Want mijn vader klimt in het echt nog geen zeven meter’.

Daar werkt de letterlijkheid van De Goedes strip dubbelzinnig – poëtisch, in feite. Het zit zo: de verbeelding wordt échter dan de werkelijkheid, we zien het immers, en zo is het een verdediging van de poëtische blik. Diezelfde krachttoer haalt hij uit in hoogtepunt ‘Trein met spoken’, waar de bundeltitel op gebaseerd is: de vertekening van het spiegelende glas van een treincoupé maakt dat de hoofdpersoon aan de andere kant van het raam een parallelle wereld vol zombies ontwaart. De Goede maakt de spiegelingen over-the-top eng, om te onderstrepen dat het om een overdrijving, een verbeelding gaat. Die, nota bene, niet minder waarachtig is.

Bekijk hier een volledig stripgedicht: ‘Starende baby’tjes’, afkomstig uit De zombietrein, getekend door Floor de Goede:

Chips aan je vingers

Die overdrijving maakt de strips grappig, én het onderstreept wat poëzie kan doen: de werkelijkheid verhevigen en in een nieuw licht zetten. Nog één voorbeeldje daarvan: bij ‘Chips aan je vingers’ is overdrijving ook weer de drijvende kracht – dat gaat op een epische, geweldig hysterische manier over een van de grote geneugten van het kinderbestaan. Namelijk: dat je chips die al op zijn nog kunt proeven als je je vingers in je mond stopt.

Daarbij komt nog dat De Goede, in vergelijking met de eerste twee stripdichtbundels, een artistieke ontwikkeling heeft doorgemaakt waardoor hij totaal verschillende stijlen beheerst: naast de sterk getimede, klassieke cartoon ‘Wie kiest je nies?’ verrast hij nu met zijn zachte zee-aquarellen in ‘De zee is een schilder’ en het compositorische lef van het horrorverhaal ‘Starende baby’tjes’. Dat eclectische is nieuw in de stripgedichtenreeks en dat maakt mogelijk dat Van de Vendels gedichten ditmaal een rijk emotioneel spectrum omspannen. Ook ging De Goede niet eerder zó met de teksten van Van de Vendel aan de haal: de illustraties voegen aan ‘In de bioscoop’ een compleet eigen verhaal toe, net als in het eekhoornenepos ‘Met z’n drieën’.

Nog een paar (halve) stripgedichten uit de bundel. Klik om de gehele pagina te zien (de tekst loopt eronder door):

Los van elkaar zijn ze niet te zien, de tekeningen van De Goede en de teksten van Van de Vendel – de zin ‘dan sproeit er een bloem van geloei uit zijn neus’ niet van de snotgroene tsunamiwolk – en dat is een goed teken. Het wordt tijd voor een jeugdliteraire prijs voor dit duo en hun rijke, ijzersterke poëzie.