Recensie

Niemand krijgt genoeg adem in de kolenmijn

Op pagina 11 lezen we al hoe het zit: ‘David leeft in twee werelden tegelijk.’ Kernachtiger kan het niet worden uitgedrukt. David, begin twintig, is ontsnapt uit het mijndorp waarin hij is opgegroeid, door te gaan studeren in een naburig universiteitsstadje. Maar wanneer in zijn geboortedorp een gruwelijke mijnramp plaatsvindt, keert hij halsoverkop terug – ook zijn vader en broer werken in de mijn.

De onderwereld, de nieuwe roman van Kevin Canty (1953), speelt zich af in het noordwesten van Amerika, vertrouwd terrein voor lezers van zijn verhalen en romans. Canty wordt tot gekmakens toe vergeleken met Raymond Carver. Geen wonder, want beiden beschrijven vaak bewoners van kleine gemeenschappen, harde werkers, jagers, vissers. Toch gaat het niet om het soort mensen dat wordt beschreven, maar om de manier waarop ze worden beschreven. De vergelijking met Carver is vooral een kwestie van stijl: veel weglaten, weinig beschrijven, de personages het werk laten doen, niemand genoeg adem geven voor een lange monoloog.

David blijft de buitenstaander ook al is zijn familie getroffen door de ramp. En dan is er zijn leeftijdsgenoot Ann, die droomt van een ander leven en opeens ongewild in een ander leven wordt geworpen wanneer ze door de ramp weduwe wordt. De verhaallijnen van David en Ann vermengen zich op bijna onontkoombare wijze. Dat is waar Canty goed in is: de levens van personages met elkaar laten interfereren. Hij deed dat ook met veel succes in zijn vorige roman, Alles (2010). Dat De onderwereld dat niveau niet haalt, komt door de derde verhaallijn, die van mijnwerker Lyle, die zestien dagen met een collega onder de grond zit voor hij wordt bevrijd. De gevolgen die zoiets moet hebben, worden door Canty te beknopt beschreven, daar laat hij dus in feite te veel weg. Canty heeft geen grote rampen nodig om zijn effecten te bereiken, die hinderen hem eigenlijk alleen maar.