In de val van het werkkamp gelokt

Archeologie

Nederland telde in de Tweede Wereldoorlog veel meer werkkampen dan gedacht. De concentratie en afvoer van Joden vanaf 1942 was nauwkeurig voorbereid.

In het Drentse werkkamp Kremboong moesten mannen de nabijgelegen bossen kappen en ontginnen. Ze woonden en werkten in groepjes van acht. Helemaal rechts staat Herman Vogel. Foto’s Herman Vogel

Ze stonden pas nog in het Amsterdamse Bos, achter het pannenkoekenhuis. Archeoloog Ivar Schute met een grondboor in de hand, en amateurhistoricus Lion Tokkie met een historische luchtfoto. Op zoek naar resten van een Joods werkkamp. „Tot zes jaar geleden had ik nog nooit van Joodse werkkampen gehoord”, zegt Schute. „Toen deed ik een opgraving in doorvoerkamp Westerbork.”

Zijn collega Tokkie doet er net iets langer onderzoek naar, sinds 2010. „Mijn vader heeft in zo’n kamp gezeten, voordat hij is ondergedoken,” zegt de gepensioneerde bedrijfskundige. Zijn onderzoek moet tot een promotie aan de Universiteit van Amsterdam leiden.

Schute en Tokkie weten inmiddels dat er minstens 67 kampen waren, van verschillende typen, waar Joodse mannen te werk werden gesteld. Ze bevonden zich met name in het noorden en oosten van het land, maar ook in Amsterdam. De mannen werden betaald, er was (waterig) eten en gewapende bewaking ontbrak.

Het precieze aantal Joodse werkkampen is voor Tokkie van secundair belang. Hij wilde weten hoe zijn vader in „de bek van het monster” terecht heeft kunnen komen en hoe het systeem heeft gefunctioneerd. Zijn conclusie: „De Joden zijn in de val gelokt. De werkkampen straalden iets vertrouwds uit.”

Van talloze kampen zit de structuur nog vrijwel compleet in de grond

Al vanaf de jaren dertig bestonden speciale kampen voor tewerkgestelden, gebouwd in het kader van de werkverschaffing door de rijksoverheid. Die zogenoemde werkverruiming is het fundament geweest voor de Jodenvervolging in Nederland, zegt Tokkie. Maar die basisgedachte van werkverschaffing gaat volgens hem nóg verder terug. „Al in de zestiende en zeventiende eeuw was er een soort armenzorg. Een patriciër stichtte bijvoorbeeld een hofje voor weduwen, of een gemeente bouwde een tuchthuis om ‘onmaatschappelijken’ her op te voeden.” Het leidende principe was: wie niet werkt, zal ook niet eten.

Arbeid als tegenprestatie voor steun

Het principe van arbeid als tegenprestatie voor steun was ook het uitgangspunt van de politieke besluiten in de jaren dertig. „In 1931 waren al ruim 26.000 werklozen tewerk gesteld bij door de rijksoverheid gesubsidieerde werkverschaffingen, in 1939 was dat aantal meer dan verdubbeld.”, zegt Tokkie. Nederland was daarin niet uniek. Ook landen als Canada en Groot-Brittannië kenden dergelijke initiatieven.

De steunzoekers werden aan het werk gezet bij onder meer de bouw van bruggen en sluizen, bij ontginningen, het kanaliseren van waterwegen, en de aanleg van bossen. Het te verzetten werk was altijd meetbaar, zodat geen uurlonen, maar stuklonen werden uitbetaald.

Mannen spelen partijtje volleybal in werkkamp Kremboong. Foto Herman Vogel

Een deel van de tewerkgestelden ging iedere dag voor dag en dauw te voet, per fiets, bus of trein vanuit hun woonplaats naar het werk toe, om ’s avonds weer naar huis te gaan. Voor hen waren zogenoemde heen-en-weerkampen gebouwd, met niet veel meer dan een schuilkeet en gereedschapopslag.

In andere gevallen was het werk zo ver weg dat de tewerkgestelden langere tijd in een speciaal gebouwd werkkamp verbleven. Aan de hand van luchtfoto’s en enkele in archieven teruggevonden bestekken onderscheidt Tokkie vijf typen. „De V-vorm met twee lange slaapbarakken kwam het meeste voor. Daaromheen waren was- en doucheruimten, een voorraadruimte en een generatorhuis, een kantine en de kok-beheerderwoning.”

Joden en niet-Joden door elkaar

In het begin van de bezetting ging het systeem van de werkverruiming en de werkkampen gewoon door. In het kader van nieuwe werkverschaffingsprojecten werden er zelfs nieuwe kampen bijgebouwd. Joden en niet-Joden zaten er nog gewoon door elkaar, met dit verschil dat Joden vaak ‘gedwongen’ waren zich voor de werkverschaffingsprojecten aan te melden, omdat Duitse maatregelen hen bepaald werk had verboden en daarmee werkloos had gemaakt.

Tokkie heeft met zijn onderzoek de organisatiestructuur van de werkverschaffing tijdens de beginjaren van de bezetting weten te ontrafelen. Op basis van beschikbare dossiers – „heel veel is vernietigd” – zocht hij afzenders en ontvangers van allerlei documenten. En van daaruit verder, naar nog eerdere afzenders, of latere ontvangers. Het heeft geresulteerd in een diagram, met stippellijnen tussen de Duitse bevelstructuren en de eronder staande Nederlandse instanties, bedrijven en overheden die met de werkkampen te maken hebben gehad. „De eerste twee jaar hebben de nazi’s zich bewust afzijdig en daarmee verborgen gehouden.”

Zijn onderzoeksmethode heeft ook geleid tot de vondst van onbekende archieven, foto’s, briefwisselingen en dagboeken. In het Stadsarchief van Amsterdam ontdekte hij een verloren gewaand archief van de ‘J-Afdeling’ van de Gemeentelijke Sociale Dienst, dat duidelijk maakt dat begin 1942 de val voor de Joden langzaam dichtklapt. Tokkie: „Men begon de Joden in aparte werkkampen te concentreren.” Historici wijzen in dat verband naar een brief van Seiss-Inquart, die op 10 oktober 1941 tot de oprichting van kampen voor werkloze Joden besluit. Tokkie denkt echter dat het altijd al de bedoeling van de nazi’s is geweest om de Joden via de werkkampen af te zonderen, te concentreren en via doorvoerkampen als Westerbork af te voeren. „Er zijn aanwijzingen dat de nazi’s al voor de oorlog via Nederlandse spionnen het systeem van de werkkampen hebben bestudeerd.”

David Tokkie (links), de vader van Lion Tokkie die onderzoek doet naar werkkampen, met Jaap Oudkerk, oom van oud-politicus Rob Oudkerk. Foto Herman Vogel

Het teruggevonden archief van de J-afdeling toont hoe nauwkeurig in 1942 alles was voorbereid: perron 1 van het Centraal Station in Amsterdam is in detail getekend, inclusief tafeltjes. Ook is precies beschreven bij welke tafeltjes een eerste groep Joodse mannen zich moest melden. Nietsvermoedend deden ze het. Familie mocht op het perron afscheid nemen, maar daarna gingen de deuren van de coupés op slot.

Enkele kampen zijn tijdens de oorlog verder gebruikt. Als onderkomen voor moeilijk opvoedbare kinderen, weer als werkkamp, maar nu voor niet-Joodse werklozen, of als kazerne voor Duitse troepen. Ook na de oorlog bleven ze in gebruik. Kamp Ybenheer bij Fochteloo in Friesland, in 1941 gebouwd voor de werkverruiming en in 1942 gebruikt als Joods werkkamp, is zo’n kamp. Eerst werden er NSB’ers opgesloten, en later zijn er Molukkers ondergebracht. Eind jaren zestig is het afgebroken. Op de plek is nu een klein bos.

Gebrekkige kennis van de kampen

De gebrekkige kennis van de Joodse werkkampen is een gevolg van het geringe aantal overlevenden dat er over kon vertellen. Bovendien lagen ze vaak in uithoeken van het land, zodat alleen lokale bewoners er weet van hadden. Fochtelooërs weten bijvoorbeeld nog te vertellen hoe na de nacht waarin het kamp was geruimd de weg bezaaid lag met koffers die de Joodse mannen gedwongen hadden achtergelaten.

Door de onbekendheid ontbrak ook het inzicht dat de kampen deel uitmaakten van een groter geheel. „De terreinen waar de kampen hebben gestaan zijn hierdoor vogelvrij erfgoed”, zegt archeoloog Schute. „Ze worden niet beheerd of beschermd.” Bij Ybenheer staat sinds 2002 wel een klein monument. „De plek is zo gereduceerd tot een puntlocatie, tot één plek waar de doden worden herdacht. Maar in het bos liggen nog allerlei sporen verborgen.” Op een afbeelding van het digitale en met een laser gemaakte Actueel Hoogtebestand Nederland is goed te zien dat in de grond nog resten zijn van de barakken en bijgebouwen. Het kamp behoorde duidelijk zichtbaar tot wat Tokkie het dubbele V-type noemt. Schute heeft zich nog niet bezig kunnen houden met de vraag waarom de kampen volgens een bepaalde plattegrond zijn gebouwd. „Vaststellen wat er is heeft voorrang. Pas daarna kun je de vraag stellen wat je er maatschappelijk en wetenschappelijk mee wilt doen.”

Daarom stonden Schute en Tokkie afgelopen februari ook in het Amsterdamse Bos. Op basis van onder meer historische luchtfoto’s meent Tokkie dat er een barak van een Joods werkkamp heeft gestaan. „Ze moesten onder andere sloten trekken in de Oeverlanden van de Nieuwe Meer.” In het terrein was een ophoging zichtbaar die volgens Schute met het kamp te maken gehad moet hebben. Via het booronderzoek ter plekke denkt hij bewijs voor resten te zullen vinden. Vervolgonderzoek moet meer details geven.

Schute en Tokkie weten intussen zeker dat van talloze kampen de structuren nog vrijwel compleet in de grond zitten. Bijvoorbeeld in het Groningse Sellingerbeetse, het Overijsselse Molengoot en het Drentse Gijsselte.