Hoe vis je de terrorist uit de schoolbanken?

Signaleren van radicalisering

Leraren, jongerenwerkers, AZC-personeel en andere professionals worden getraind om radicalisering vroeg te signaleren. Maar hoe onderscheid je iemand met radicale ideeën van iemand die wil overgaan tot geweld?

Illustratie Sebe Emmelot

De mentor van de vmbo-school in Zuid-Holland wilde zijn leerlingen alleen maar troosten na een recente aanslag. Maar het gesprek liep anders dan hij had gedacht. Een leerling vertelde dat hij fan is van terreurbeweging IS. De discussie was zo uit de hand gelopen, dat de jongen door de klas had geschreeuwd: „Dood aan Wilders!”

Wat doe je in zo’n geval als docent?

In zo’n geval raadpleeg je ‘Radicx’: een handleiding voor scholen om na te gaan of een leerling aan het radicaliseren is.

Wanneer een leerling een felle politieke uitspraak doet, dient u met hem in gesprek te gaan, schrijft Radicx voor. Meent hij die uitspraak? Heeft hij een negatieve kijk op de samenleving? Trekt hij de Nederlandse wetgeving in twijfel? Heeft hij vrienden met dezelfde ideeën?

Is het antwoord op deze en andere vragen meestal ‘ja’, dan heeft u wellicht te maken met een radicaliserende leerling, aldus de handleiding. En in dat geval doet u er goed aan de ‘ketenpartners’ te informeren over de leerling.

En zo geschiedde. De leraar tipte de wijkagent over de leerling die in het klaslokaal Wilders had bedreigd.

In de week van ‘Manchester’ is de vraag weer actueel wat Nederland doet aan terrorismebestrijding. Een van de manieren waarop Nederland probeert te voorkomen dat ook hier ‘terroristen van eigen bodem’ opstaan die aanslagen plegen, is het inschakelen van leraren, jongerenwerkers, hulpverleners, AZC-personeel en andere professionals. Als ‘oren en ogen’ op de straat zouden zij radicalisering het beste kunnen herkennen. De overheid verlangt dat zij namen van radicaliserende moslimjongeren doorspelen aan autoriteiten. Op die manier zou de overheid potentiële aanslagplegers zo vroeg mogelijk in de gaten kunnen krijgen en hen mogelijk op andere gedachten kunnen brengen.

Om deze taak te kunnen volbrengen zijn er trainingen voor professionals die met moslimjongeren in contact staan. Gemeenten betaalden deze trainingen eerst zelf; later heeft anti-terrorismedienst NCTV ze ondergebracht bij het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR). Sinds 2016 gaf dit instituut 3.600 mensen een training. Wat wordt al die sociaal werkers en docenten geleerd? En hoe wordt voorkomen dat onschuldige moslimjongeren worden gestigmatiseerd?

Verandering in haarstijl

Een potentiële terrorist laat zich nauwelijks ‘signaleren’ – daarover bestaat consensus in de wetenschap. De ene terrorist pleegt geweld zonder te zijn geradicaliseerd, bij de andere is het een proces van jaren. En dan zijn er ook nog een heleboel radicalen die nooit overgaan tot geweld. Ambtenaar Johan Cats, hoofd van het ROR: „Daarom maken wij in onze trainingen geen gebruik van lijstjes met kenmerken van radicalisering.”

Maar op een of andere manier zullen die kenmerken toch moeten worden overgedragen aan de cursisten. Uit trainingen die NRC inzag, blijkt dat de overheid de afgelopen jaren wel degelijk profileringslijstjes verstrekte aan sociaal werkers en docenten. Zo stelt een politieworkshop uit 2015 dat verandering in iemands „kleding en uiterlijk, bijvoorbeeld een verandering in haarstijl” kan wijzen op radicalisering, net als iemands „woordgebruik over etnische groeperingen” of „schoolprestaties”.

De masterclass Islamitisch extremisme voor eerstelijnswerkers, eind 2013 ontwikkeld door bureau RadarAdvies in opdracht van de NCTV, staat bol van de politieke en religieuze termen. „Zorgelijke gedragingen” zijn volgens deze masterclass onder meer het gebruik van de islamitische woorden ‘kuffar’ (ongelovige) en ‘murtad’ (afvallige) en het aanduiden van de Verenigde Staten en joden als „de vijand”.

Medewerkers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) kunnen op hun intranet lezen waaraan zij een radicaliserende asielzoeker kunnen herkennen. Het bezigen van bepaald salafistisch taalgebruik, of het weigeren van een vrouwenhand, zijn volgens deze checklist „indicaties die tot alertheid nopen”. Het ROR heeft eind 2015 een training opgesteld waarin deze checklist voorkwam. Inmiddels is die checklist geschrapt uit de training, blijkt uit navraag.

Een brochure van de NCTV uit 2014 vermeldt nog een checklist. Bedrijven kunnen radicaliserende medewerkers herkennen aan „een plotselinge afkeer van ‘westerse gewoonten’ zoals gemengde activiteiten (man/vrouw), het drinken van alcohol et cetera”, stelt deze brochure. Ook „interesse in vechtsporten” en „het dragen van specifieke kleding” kunnen kenmerken zijn van radicalisering.

Het risico van deze benadering is dat ook ‘onschuldig’ gedrag wordt geproblematiseerd, zegt Quirine Eijkman, lector terrorisme en recht aan de Hogeschool Utrecht en Universiteit Leiden. „Wie je zou willen signaleren, zijn extremisten die bereid zijn geweld te plegen. Maar door sociaal werkers uit te laten kijken naar alle jongeren die er radicale ideeën op nahouden, span je het net veel te breed. Verreweg de meesten zijn onschuldig, hoe vis je die eruit?”

Door hulpverleners verantwoordelijk te maken voor het signaleren van radicalisering, kan bovendien hun vertrouwensrol worden geschaad. Eijkman: „Een jongerenwerker moet jongeren helpen, maar tegelijk moet hij ze doorgeven aan de veiligheidsketen. Dat is een spagaat.”

Puzzelstukjes

In trainingen wordt sociaal werkers aangeraden om signalen over radicaliserende jongeren met zoveel mogelijk ‘ketenpartners’ te bespreken, zoals politie, jeugdzorg, onderwijs, jongerenwerk, sportvereniging. „Bij twijfel: altijd delen”, zegt Steven Lenos van RadarAdvies, die wordt ingehuurd door overheden om trainingen te geven. „In je eentje kun je bijna nooit zien of iemand radicaliseert. Stel je voor dat een jongerenwerker ziet dat een persoon zich afsluit van de samenleving, een docent ziet dat hij zich op school steeds agressiever gedraagt, en bij de sportclub komt-ie niet meer opdagen. Los van elkaar misschien geen ernstige signalen, maar leg die puzzelstukjes bij elkaar en je ziet dat er iets aan de hand is.”

Voor de gesignaleerde persoon heeft het delen van informatie wel gevolgen. Zijn of haar gegevens worden uitgewisseld met de politie. Hierna volgt een vergadering om te beslissen of er een ‘persoonsgerichte aanpak’ moet volgen, waarbij de radicaal bijvoorbeeld psychologische hulp krijgt aangeboden. In het uiterste geval kan een signaal het begin zijn van een strafrechtelijk onderzoek. Het delen van informatie vanuit het jongerenwerk of onderwijs is dus niet zomaar iets. Wanneer zijn aanwijzingen alarmerend genoeg om ertoe over te gaan?

„Daar is geen hard criterium voor”, zegt ROR-baas Johan Cats. „Het enige criterium is of de professional zich zorgen maakt over een jongere. Dan moet je je zorgen delen.” Maar wannéér dienen zij zich dan zorgen te maken? Cats: „Als iemand zich extreem gaat uiten, extreem gaat afsluiten of bepaald gedrag gaat vertonen dat afwijkt van algemeen sociaal geaccepteerd gedrag.”

Onderbuikgevoel

‘Afwijkend’ gedrag dient dus te worden gerapporteerd. Hoe dit werkt in de praktijk, hebben Quirine Eijkman en Annemarie van de Weert van de Hogeschool Utrecht onderzocht. Deze week verscheen hun rapport waarvoor zij achttien jongerenwerkers ondervroegen. De afweging of een mogelijke radicaal moet worden gemeld bij de autoriteiten, blijken jongerenwerkers af te meten aan hun „persoonlijke normen, waarden en gevoelens”. Wat afwijkt van de norm, is immers voor iedereen anders. Gevolg is dat de ene werker alarm slaat over een jongere die ‘vergaande interesse’ toont in religie, en de ander wanneer hij een jongere ‘harde uitspraken’ hoort doen over oorlogen in het Midden-Oosten. Volgens de onderzoekers is er sprake van „subjectieve oordeelsvorming”.

Binnen asielzoekerscentra is het niet anders, beschrijft een rapport uit 2016 van de Vrije Universiteit Amsterdam. Of een asielzoeker aan het radicaliseren is, baseren COA-medewerkers naar eigen zeggen op hun ‘onderbuikgevoel’. Hierdoor komt het voor dat asielzoekers die opeens veel gaan sporten worden gemeld bij de AIVD. Ook werd de geheime dienst eens getipt over een asielzoeker die een filmpje aan het kijken was en dit gauw uitzette toen een COA-medewerker binnen kwam.

Er was doorgegeven dat iemand de vlag van terreurbeweging IS thuis had hangen. Het bleek te gaan om een zwart schilderij.

Signalen worden meestal nagetrokken door de politie. Een wijkagent vertelt – anoniem – hoe hij in 2014 radicaliseringsmeldingen naspeurde. Er was doorgegeven dat iemand de vlag van terreurbeweging IS thuis had hangen. De wijkagent koos ervoor direct bij deze persoon aan te bellen. Het bleek te gaan om een zwart schilderij. In dezelfde periode bereikte de wijkagent een melding over een busje waar een IS-tekst op zou staan. De wijkagent benaderde de eigenaar van het busje en liet de tekst vertalen: het bleek onschuldig Arabisch te zijn.

De wijkagent is niet bang dat hij zo mensen stigmatiseert. „Ik had niet het gevoel dat zij het erg vonden dat ik wat vragen stelde.” Een bewoner van Alblasserdam voelde zich wél gestigmatiseerd toen hij de politie in 2015 aan zijn deur kreeg. Buurtbewoners hadden de politie gebeld omdat hij een poster met de shahada, de islamitische geloofsgetuigenis, achter zijn raam had gehangen.

Dat veel signalen achteraf loos alarm zijn, wijzen ook cijfers van de AIVD uit. De inlichtingendienst ontving vorig jaar 5.400 tips waarmee niet direct iets kon worden gedaan. Slechts 238 van die meldingen leidden tot nader onderzoek. De vraag is hoe effectief het signaleringsbeleid is als signalen zo vaak niets opleveren.

Volgens gemeenten zijn er wel meerdere uitreizen door verhinderd. Jongeren die naar Syrië wilden, konden worden tegengehouden omdat een professional vroeg genoeg aan de bel trok.

Problematische radicalisering

Na ontvangst van een ‘signaal’ maken gemeenten en politie een afweging. Lichtere signalen worden verwezen naar bijvoorbeeld GGZ, een buurtteam of schuldhulpverlening, en hierna in de gaten gehouden door de gemeente. De écht ernstige gevallen gaan naar een zogenoemd casusoverleg. In Rotterdam leidt een op de vijf signalen tot zo’n overleg; in Utrecht twee op de vijf signalen. In Den Haag blijkt bij drie op de vijf signalen achteraf daadwerkelijk sprake te zijn van ‘problematische’ radicalisering.

Den Haag heeft ervoor gekozen om binnen zoveel mogelijk lokale organisaties één medewerker intensief te trainen. Zij kunnen vervolgens hun collega’s helpen bij het duiden van het gedrag van een mogelijke radicaal, voordat gemeente of politie worden gealarmeerd.

Onderzoekers Eijkman en Van de Weert blijven kritisch. „Het zou wenselijk zijn als er een duidelijk criterium komt voor het melden van radicalisering”, vindt Eijkman. „Nu weten sociaal werkers niet waar zij naar op zoek zijn: mensen met radicale opvattingen, of mensen die bereid zijn geweld te plegen? Als gevolg van die onduidelijkheid gaan zij op iedere jongere letten die in hun ogen afwijkend gedrag vertoont. Het zijn agenten van de sociale controle geworden.”