Ombudsman

Hoe gevaarlijk/relevant zijn die bomfoto’s?

Een deel van de rugzak van de dader Foto AFP

The New York Times publiceerde foto’s uit het Britse politiedossier van de aanslag in Manchester. Er kwam kritiek van nabestaanden die dit gevoelloos vonden, en van de politie die meent dat de publicatie het onderzoek kan hinderen.

Hoeveel moet je laten zien van een terrreuraanslag?

The New York Times publiceerde woensdag acht grote, gedetailleerde foto’s van bewijsstukken die op de plaats van de aanslag waren gevonden: resten van een rugzak, bomscherven, een vermoedelijk ontstekingsmechanisme en een batterij.

Overigens was de tekst van het bijgaande artikel even gedetailleerd. Zo wist de verslaggever te melden:

De autoriteiten vonden een verwrongen Yuasa-batterij van 12 volt, 2.1 ampère, die krachtiger is dan de batterijen die meestsal worden aangetroffen in rugzakbommen of zelfmoordvesten. De batterij, die onder meer gebruikt wordt voor noodverlichting, is te koop voor ongeveer 20 dollar.

Waarom is dat relevant?

Volgens de krant laten de details zien dat het gaat om een type zelfbouw-explosief dat nog niet eerder is aangetroffen, en bovendien dat de dader moeite heeft gedaan om te voorkomen dat zijn bom niet zou afgaan:

Ook ongebruikelijk voor een zelfmoordbom was een mogelijke schakelaar, die de dader in zijn linkerhand had. Aan een uiteinde ervan was een kleine schakelkaart gesoldeerd. Het is op de beelden onduidelijk of het object een eenvoudige schakelaar was, of dat het een timer of ontvanger bevatte die op afstand kon worden geactiveerd.

De publicatie leidde tot heftige protesten van de Britse regering. De publicatie zou het lopende politieonderzoek hinderen en, heel ander argument, kwetsend zijn voor de nabestaanden van slachtoffers van de aanslag. The New York Times kreeg honderden boze e-mails van lezers.

Een van hen schrijft:

De foto’s zullen de meeste mensen niets zeggen, maar ze zijn wel relevant voor bepaalde personen. De krant heeft bewijsmateriaal gedeeld dat van betekenis is voor mensen die deze terroristen hebben geholpen en ondersteund, en die hen kunnen helpen te ontsnappen.

En een ander:

Vaak is er een groot publiek belang bij het publiceren van gelekte informatie, maar in dit geval zie ik het niet. [..] Door dit materiaal zo snel openbaar te maken heeft de krant het publieke belang, dat van het onderzoek naar de daders, mogelijk juist geschaad.

Hoofdredacteur Dean Baquet verdedigde het besluit zo:

Wij oordeelden dat het van publiek belang is om mensen te vertellen hoe terroristen werken, inclusief de makelij van hun bommen en het soort rugzakjes dat zij dragen.

Want, zegt hij:

Dit was geen zeer vertrouwelijke informatie, niemands privacy werd ermee geschonden, en het was ook niet gevoelloos. Ik begrijp dat mensen ontsteld zijn, niets is ontstellender dan wat er in Manchester is gebeurd – maar uitleggen hoe terroristen te werk gaan, is een belangrijke journalistieke taak.

In een achtergrondstuk verbreedt de krant de zaak tot een cultuurverschil tussen Engeland, waar geheimhouding de regel is, en Amerika, waar openbaarheid een veel groter goed is.

Een citaat:

Is er iets typisch Amerikaans aan lekken? Een soort nationale allergie voor het bewaken van officiële geheimen? Ja, dat is er. En of je dat nu afkeurt als een gevaarlijk trekje, of accepteert als een bevestiging van de democratie, het zal waarschijnlijk niet veranderen, volgens veel oud-ambtenaren en kenners van officiële geheimhouding.

En de president moet er al helemaal niet te vroom over doen, aldus de krant fijntjes:

Als het om geheimhouding gaat, is Trump niet echt een rolmodel.

Hoe zit het nu precies met de vertrouwelijkheid van die foto’s?

Ze zijn waarschijnlijk gelekt door Amerikaanse diensten, al noemt de krant geen bron. De Times heeft ze dus niet ontvreemd, maar kreeg ze toegespeeld door overheidsbronnen.

Wat de status ervan betreft, volgens de krant waren ze gemerkt met het stempel ‘Beperkte verspreiding – alleen voor officieel gebruik’, een kwalificatie die beduidend minder dwingend is dan ‘geheim’ of ‘zeer geheim’.

De ombudsvrouw van de Times, Liz Spayd, steunt vooralsnog het besluit van de krant, vooral omdat haar niet duidelijk is geworden of de Britse autoriteiten nu echt concrete schade voorzagen of dat zij gewoon wilden vasthouden aan een algemene regel. Het laatste is onvoldoende om publicatie te verhinderen.

Spayd schrijft:

Als het gaat om het publiceren van gevoelig materiaal, is het uitgangspunt dat een medium het publiek dient te informeren. Als de autoriteiten menen dat publicatie een justitieel onderzoek, of een operatie van de geheime diensten, in gevaar kan brengen, is het aan hen om dat aannemelijk te maken.

Daarom overlegde of onderhandelde de Times in het verleden ook vóór publicatie geregeld met de autoriteiten over onthullingen uit overheidsdocumenten, bijvoorbeeld als die de nationale veiligheid raken. Het gebeurde bijvoorbeeld bij eerdere data dumps van WikiLeaks, waaruit Amerikaanse media geen namen van spionnen publiceerden om hun levens niet in gevaar te brengen.

Zoiets is niet ongebruikelijk, omdat verantwoordelijke media ook mogelijke schadelijke effecten van een gevoelige publicatie in hun afweging willen betrekken. De belangen van openbaarheid en geheimhouding moeten beredeneerd tegen elkaar worden afgewogen.

Maar, aldus Spayd:

In dit geval is onduidelijk of Britse of Amerikaanse gezagsdragers zo’n inhoudelijke discussie hebben gehad met de Times.

Ze schrijft het zelf niet, maar daarin kan een rol spelen dat de Times en de regering-Trump al tijden op voet van oorlog leven. Trump hekelt de krant als brenger van ‘nepnieuws’, de krant pakt de president op zijn beurt consequent keihard aan.

Opmerkelijk is ook, dat chefs die zij vroeg of er intern debat over de foto’s was geweest, weigerden daar op in te gaan.

Spayd wijst er op, dat de Britse autoriteiten ook al geprikkeld reageerden op de publicatie van de naam van de dader in de Amerikaanse media, voordat die officieel was vrijgegeven. Het publiceren van de naam zou medeplichtigen of familieleden de kans geven weg te komen.

Inmiddels zijn de foto’s online de wereld overgegaan en, traditioneler, ook in vele tv-journaals en kranten te zien geweest. Britse kranten maakten wisselende afwegingen: The Times drukte de foto’s niet af, The Guardian wel, prominent op de voorpagina.

The Times, die de foto’s niet opnam, schreef in een kader:

Het lekken van de foto’s uit Manchester was, hoewel schokkend voor Britse ambtenaren, waarschijnlijk minder ernstig dan het lekken van de naam van de daders, terwijl zijn medeplichtigen nog werden gezocht.

In Nederland namen de Volkskrant en NRC kleine versies van enkele foto’s op.

Zij stonden niet voor dezelfde afweging als The New York Times, omdat de foto’s inmiddels al via internet de hele wereld overgingen. Maar dan nog maakt elk medium zijn eigen afweging – net als bij het al dan niet afdrukken van de naam van een crimineel.

De dienstdoende nieuwschef zegt er dit over:

Er is geen discussie over geweest, want de zaak lag toen al op straat. We kregen de foto’s aangeleverd van AFP. Het was toen ook al een diplomatieke rel geworden, dus dan wil je lezers ook laten zien waar het om gaat. Kwetsend voor de nabestaanden leken ze ook niet, er waren geen lijken of bloedsporen te zien.

NRC stelde eerder bepaalde restricties aan het publiceren van gevoelige informatie; zo werden in stukken over bommen die terroristen gebruiken sommige ingrediënten of de juiste dosering ervan weggelaten, al is die informatie die op internet met weinig moeite te vinden.

De foto’s die de krant nu publiceerde waren weinig ingezoomd en eerder kleine illustraties. Wat ze tegelijk, voor wie wil oordelen, minder ‘schadelijk’ én minder relevant maakt. Op nrc.nl verscheen een grotere foto.