Opinie

Het Groot Dictee is dood, leve de Nederlandse taal

Ik maak bezwaar tegen de notie dat de taal een hoeder nodig heeft, schrijft . Want juist in het schitterende ongeluk schuilt nieuwe betekenis en verrijking van de cultuur.

Het Groot Dictee der Nederlandse Taal in de Vergaderzaal van de Eerste Kamer. Foto Bas Czerwinski / ANP

De schrijver F. Scott Fitzgerald kon niet spellen. En zijn redacteur, de fameuze Maxwell Perkins, evenmin. Fitzgerald slaagde er zelfs in de naam van een van zijn beste vrienden, Ernest Hemingway, consequent met dubbel m te schrijven. Als Fitzgerald en Perkins hadden meegedaan aan een Amerikaanse variant van Het Groot Dictee der Nederlandse Taal hadden ze een modderfiguur geslagen. En dan ik: fuck that shit. Want: The Great Gatsby.

Wat veel lezers niet weten, is dat zelfs de meest talige schrijvers, de vermeende pietje-preciezen met het uitpuilend vocabulaire, hun manuscripten van correctoren en persklaarmakers roodbekladderd terugkrijgen, omdat ze fouten maken. (Deze zin bevat volgens de spellingscontrole drie niet-bestaande of ‘foute’ woorden.) Dan hebben we het dus over kunstenaars die geacht worden hoeders van de Nederlandse taal te zijn.

Ik maak bezwaar tegen de notie dat de taal een hoeder nodig heeft. Een hoeder impliceert behoeden, beschermen. Alsof de taal gered dient te worden van de barbarij, bijvoorbeeld middels een heiligverklaring op nationale tv. Terwijl de barbarij mede de taal tot zo’n levendig en lenig instrument maakt.

Cultureel gehalte: nul

De beste schrijvers zijn taalvernieuwers en vernieuwing betekent ‘fouten’ maken in de ogen van de schoolfrik. Maar, amai, wat gaat een tekst leven van verbuigingen en verbasteringen, van verzinwoorden en neologismen, van onversneden klankacrobatiek, a.k.a. schitterende ongelukken. Daarin schuilt de weg naar nieuwe betekenissen en een verrijking van de cultuur. Met Het Groot Dictee pretendeerde de nationale omroep iets aan cultuur te doen, maar het was uiteindelijk puzzeltijd voor woordenboeklezers, cultureel gehalte: nul.

Want wat is de bedoeling van taal? En wat is taalvaardigheid? De taal zou wat mij betreft effectief moeten communiceren, prikkelen en bekoren, en dat zit hem in andere dingen dan de regeltjes. De laatste jaren zo eens naar Het Groot Dictee gekeken hebbende – zappend, want overlopend van irritatie – zag ik onbegrijpelijke zinnen vol woorden die door de Dictateeër van dienst bijeengeraapt waren om zoveel mogelijk faalkuilen voor de wannabe-scherpslijpers te graven. En hoe toepasselijk dat dat dictee werd afgenomen in een archaïsche omgeving, waar in het verleden parlementariërs hun best deden rookgordijnen van klank op te trekken. Van betekenisloosheid.

Het Groot Dictee was het openluchtmuseum van de taal. Het is goed dat het gesloten wordt, want de taal is nog lang niet toe aan een museum. De taal leeft. De taal is rafelig. De taal moet gevaarlijk zijn, en opwindend. De taal moet, kortom, alles zijn waar de schoolfrik het benauwd van krijgt.