Recensie

Het fascisme hoort erbij

Fascisme

Lange tijd stond het fascisme bekend als ‘een duivelse incarnatie van het Kwaad’. Maar Robin te Slaa laat zien dat het diep geworteld is in de Europese cultuur.

Mussolini (vierde van links) en andere fascistische partijleiders tijdens de Mars op Rome, 1922 Foto S. Bianchetti/Getty Images

Het fascisme is tegenwoordig overal, zo lijkt het soms. Wilders, Le Pen, Trump, maar ook de aanhangers van IS – zijn het eigenlijk niet gewoon fascisten? Ik zou de mensen niet graag de kost geven die deze vraag probleemloos met ja beantwoorden. Historisch inzicht is een spaarzaam goed. Daarom mogen we blij zijn met een boek als Wat is fascisme? Oorsprong en ideologie van historicus Robin te Slaa, die in 2012 ook al Is Wilders een fascist? publiceerde. Dit nieuwe boek ligt in het verlengde daarvan.

Te Slaa (1969) verzet zich ertegen om Wilders cum suis en de moslimterroristen fascisten te noemen. Terecht, want daarvoor verschillen ze te zeer van het fascisme of het nationaalsocialisme uit de jaren twintig, dertig en veertig. Wie iedere politieke vijand voor ‘fascist’ uitmaakt, berooft het begrip van zijn betekenis. Evenmin is het raadzaam om het fascisme los te koppelen van alle beschaving, bijvoorbeeld door het voor te stellen als een ‘duivelse’ incarnatie van het Kwaad’. Getuige de ondertitel van zijn boek, concentreert Te Slaa zich op ‘oorsprong en ideologie’: beide laten zien dat het fascisme ‘onlosmakelijk verbonden [is] met onze historie en cultuur’.

Of we het nu leuk vinden of niet, het fascisme hoort erbij, als een van de mogelijkheden van de westerse moderniteit. Ook volstaat het niet om alleen naar Italië en Duitsland te wijzen, aangezien het fascisme tijdens het interbellum in bijna alle Europese landen een eigen variant ontwikkelde, die lang niet altijd neerkwam op een klakkeloze imitatie van het Italiaanse of Duitse voorbeeld. In Frankrijk vond men zelfs dat het fascisme een Franse uitvinding was, en er zijn historici die dat nog altijd vinden.

Alleszins te prijzen is het dat Te Slaa de fascistische ideologie volkomen serieus neemt.

Hoewel Te Slaa de meeste aandacht besteedt aan Italië en Duitsland, met in de marge de Nederlandse NSB en het Britse fascisme, komt ook hij, speurend naar ideologische wortels, in Frankrijk terecht. Bijvoorbeeld bij Gustave Le Bon, vader van de massapsychologie, en bij Georges Sorel, de anarchosyndicalist die op zeker moment ook het nationalisme omarmde als een mobiliserende ‘mythe’ om het volk tot heroïsche deugden te inspireren. Daarnaast valt, onder anderen, de naam van Maurice Barrès, die al eind negentiende eeuw een ‘socialisme nationaliste’ bedacht.

Le Bon (Psychologie des foules, 1895) en Sorel (Réflexions sur la violence, 1908) citeert Te Slaa rechtstreeks, zij het uit Engelse vertalingen. Verder baseert hij zich voornamelijk op secundaire literatuur, met uitzondering van Hitlers Mein Kampf en enkele teksten van Mussolini en Oswald Mosley. Ook komen bijna alle uitspraken van Mussert en andere NSB’ers uit eerste hand, maar dat spreekt vanzelf bij Te Slaa die in 2009 samen met Edwin Klijn een studie over de NSB publiceerde.

Recente literatuur

Wanneer je zo zwaar leunt op de secundaire literatuur, bestaat het risico dat de nuances hier en daar verloren gaan (waren Herder en Fichte nu echt zulke ‘onverzoenlijke antisemieten’?) en dat andermans interpretaties domineren. Vooral dat laatste blijkt hier het geval. Wat is fascisme? bevat weinig of geen nieuwe, eigen ideeën. Gelukkig staat daar wel wat tegenover. Te Slaa heeft een helder en over het algemeen betrouwbaar overzichtswerk geschreven, waarin de meer recente literatuur – minder geldt dat voor klassiekers als Popper, Arendt, Nolte of Bullock, die soms geheel ontbreken – vakkundig is verwerkt.

Tal van facetten worden belicht: de betekenis van sociaal darwinisme, racisme en antisemitisme, de slagschaduw van Nietzsche, het belang van de Eerste Wereldoorlog, het fascisme als seculiere ‘politieke religie’, de houding tegenover kapitalisme en privébezit (niet afschaffen, maar politiek boven economie), de rol van de staat (doel in Italië, middel in Duitsland), de afkeer van parlementaire democratie (een belangrijk verschil met het huidige populisme), het ‘totalitarisme’ en het verschil met autoritaire regimes als die van Franco of Salazar, de relatie tussen messianisme en terreur (het één rechtvaardigde het andere), de populariteit van met name Hitler en Mussolini, het ‘jeugdige’ karakter van de fascistische bewegingen en nog zo het een en ander.

Eén ding miste ik: de esthetische inslag. Hierbij valt niet alleen te denken aan Walter Benjamins typering van het fascisme als ‘esthetisering van de politiek’, maar ook aan Hitlers en Goebbels’ opvatting van de staatsman als een kunstenaar die met ‘mensenmateriaal’ een politiek Gesamtkunstwerk tot stand moet brengen. Juist deze esthetische kant (die zelfs niet aan bod komt als de relatie van Mussolini met de futuristen wordt behandeld) verklaart de attractie van het fascisme voor zoveel schrijvers en kunstenaars. En zorgt voor een verbinding te meer met de rest van de Europese cultuur.

Alleszins te prijzen is het daarentegen dat Te Slaa de fascistische ideologie volkomen serieus neemt. Voorbij zijn de tijden dat men fascisme en nationaalsocialisme, in navolging van Rauschnings Revolution des Nihilismus (1938), kon afdoen als manifestaties van bruut machtsstreven zonder ideeën of als louter negatieve antibewegingen. De enkele onverlaat die dat toch nog probeert, zal in Wat is fascisme? ontdekken hoezeer hij ernaast zit. Ook al legden Mussolini en Hitler de nadruk op de (vaak zeer gewelddadige) praktijk en niet op de theorie, zij deden dat binnen het kader van een revolutionair ideologisch gedachtegoed, met samenhangend wereldbeeld en positieve utopische idealen. Ziedaar misschien wel het belangrijkste verschil met het huidige populisme. Een verschil dat onwillekeurig aanleiding geeft tot de even lastige als intrigerende vraag of dit nu als vooruitgang moet worden gezien of juist niet.