Recensie

Gouden maskers van een vergeten steppenvolk

Tentoonstelling

De dynastie van de Khitan was lang vergeten. Totdat in China een graf met gouden maskers werd ontdekt. Een ervan is nu in het Drents Museum te zien.

Het dodenmasker van de prinses van Chen is gemaakt van gehamerd goud. Foto’s Sake Elzinga/Collectie Instituut voor Cultureel Erfgoed en Archeologie van Binnen-Mongolië, Hohhot.

Toen enkele Chinese boeren in 1986 naar water groeven, stuitten ze in de grond op een stenen trap. De archeologen die erbij geroepen waren, ontdekten een majestueus graf met meerdere kamers. In de hoofdkamer lagen twee lichamen, die bedekt waren met een gaas van fijn zilverdraad. Waar ooit hun gezicht was, lagen twee gouden maskers.

De inscripties vertelden wie de begravenen waren: de prinses van Chen, die in 1018 op 17-jarige leeftijd stief, en haar echtgenoot die kort ervoor was overleden. Beiden behoorden tot de Liao-dynastie, een familie die twee eeuwen lang (907-1125) heerste over het rijk van de Khitan, een verzameling nomadenvolken in Oost-Azië. Door de vondst van het mausoleum werd dit Khitanrijk in een keer aan de vergetelheid ontrukt.

Gelukkig maar, leert de tentoonstelling The Great Liao in het Drents Museum. De Khitan beheersten een gigantisch gebied, dat het huidige Mongolië, Mantsjoerije en Noord-China omvatte. Ze schiepen een cultuur vol blikvangers als gigantische barnstenen sieraden, graven als paleizen en in drie kleuren geglazuurd keramiek dat het toch al rijke pottenbakambacht van Oost-Azië vernieuwde. Hun rituelen, steden en bestuur waren daarbij een opwindende mengeling van oude nomadentradities en nieuwe invloeden van buiten. Zo stonden midden in hun ommuurde steden die ze van de Chinezen hadden afgekeken ook nog joerten, de aloude nomadententen.

Overal vind je die mengeling van traditioneel-nomadisch en nieuw-‘buitenlands’ terug

Het museum in Assen katapulteert de bezoeker naar hun wereld. In de tentoonstellingsruimte wandelt de bezoeker op een groen-oranje tapijt, dat de bemoste steppengronden treffend verbeeldt. De wanden bestaan uit een aaneengesloten reeks foto’s van uitgestrekte en kale berglandschappen met hier en daar plukjes hedendaagse nomaden.

De vergulde zilveren laarzen van prinses Chen zijn speciaal gemaakt voor haar verblijf in het graf. Foto’s van Sake Elzinga/Collectie Instituut voor Cultureel Erfgoed en Archeologie van Binnen-Mongolië, Hohhot.

Fluitende pijlen

Hier, op deze onmetelijke vlakten, onderwierpen de Khitan met hun goed bewapende ruiterleger zo’n tien eeuwen terug andere nomadenvolken. Nu stille maar ooit luidruchtige getuigen hiervan zijn de mingdi, pijlpunten met bovenop een extra uitsteeksel dat de pijl in zijn vlucht een fluitend geluid liet maken – en zo de vijanden schrik aanjoeg. De Khitan dwongen zelfs het Chinese keizerrijk in 1005 een vredesverdrag af. Het noorden van het toenmalige Song-rijk viel voortaan onder de Khitan.

De heersers van de Khitan lieten het breed hangen. Ze bouwden steden met grote paleizen en stouwden die vol met luxe goederen, zoals goud- en zilverwerk uit China. Deze luxegoederen werden vaak voorzien van moraliserende afbeeldingen. Zo is er een wijnkruikje met een plaatje dat verwijst naar het verhaal van een jongetje dat naakt de vrieskou trotseert om zijn stiefmoeder de beloofde verse vis te kunnen geven.

Het geld voor al deze luxe kregen de Liao door de hoge belastingen die ze oplegden aan hun eigen bevolking en aan de Chinezen, die na het verdrag van 1005 zwaar moesten dokken. De Liao verdienden ook goed aan de handel met naburige nomadenvolken en met volken in het westen. Zo haalden ze jade uit Centraal-Azië, glas uit de Arabische wereld, barnsteen van de Oostzeekust en zijde en aardewerk uit China.

Uit China kwamen ook handwerkslieden die onder meer hoogwaardig keramiek maakten. Vaak waren die kannen en kommen imitaties van Chinees aardewerk, maar vaak ook droegen ze de sporen van nomadenhandwerk. Een fraai voorbeeld van het laatste zijn de buidelflessen, een aardewerken versie van de leren waterkruiken die aan de zadels hingen.

Doden in de bomen

Deze mengeling van traditioneel-nomadisch en nieuw-‘buitenlands’ was ook terug te vinden in het bestuur van het rijk – met aparte bestuursorganen voor het noorden met zijn talrijke nomaden en steppenbewoners en voor het zuiden waar veel Chinese boeren en handelaren woonden. Ook de religie van de Khitan was een mengeling van traditioneel animisme en geïmporteerd boeddhisme.

De mengeling traditioneel-nieuw is het mooist terug te zien in de begrafenisrituelen. De Khitan konden hun doden een groot deel van het jaar niet begraven, doordat de steppegronden dan bevroren waren. De nomaden zetten de dode stamgenoten dan in de bomen, waar gieren de lichamen afknaagden. Als de grond ontdooid was, werden de tot skelet geworden lichamen alsnog begraven.

De onderaardse graftomben van de Zhang-familie in Xuanhua, met fresco’s van bedienden die eten bereiden voor de heersers in het hiernamaals, inspireerden de Khitan om ook voor hun heersers mausolea te bouwen. Foto’s door Foto’s van Sake Elzinga/Collectie Instituut voor Cultureel Erfgoed en Archeologie van Binnen-Mongolië, Hohhot.

Onder invloed van China gingen de Liao hun leden van de elite begraven in mausolea vol decoraties en kunstvoorwerpen. In Assen staan enkele fraaie levensgrote reconstructies van die grafkamers. Een traditioneel Chinees mausoleum is versierd met een geschilderde sterrenhemel en zeer gedetailleerde fresco’s. Goud ontbreekt, want Chinezen gaven hun heersers geen goud mee in het graf.

De Khitan deden dat wel, zo laat het gereconstrueerde graf van de prinses van Chen en haar man zien. Beeldschoon zijn haar bronzen laarzen, de Iraanse flacon van natriumkalk-glas met bloemreliëf en de ragfijne zilverdraden. Maar alles wordt overstraald door het gouden masker van Chen, met de zachte, bijna kinderlijke gelaatstrekken.

Het masker maakt de prinses tot het gezicht van de Liao-beschaving, zoals Nefertiti dat is van de Egyptische beschaving dankzij een bewaard gebleven kleurig borstbeeld. Nadat het Liao-rijk in 1125 werd verslagen door naburige nomaden (de Jurchen), werd het in de herinnering verdrongen door het latere Mongolenrijk van Dzjengis Khan en het veel oudere Rijk van het Midden. In die eregalerij van grootmachten heeft het Liao-rijk zijn plek terug gekregen – met dank aan de prinses van Chen en haar gouden gezicht.

De tentoonstelling The Great Liao loopt tot en met 29 oktober 2017 in het Drents Museum, Assen.