De lessen van Robert Silvers en The New York Review of Books

Merlijn Olnon werkte voor een onderzoek een tijd op de redactie van The New York Review of Books. Dit essay schreef hij naar aanleiding van het overlijden van de beroemde hoofdredacteur Robert B. Silvers (1929-2017).

De redactie van de New York Review of Books Foto Merlijn Olnon

Het is bij binnenkomst op het kantoor zo stil dat je een speld zou kunnen horen vallen. Tenminste, had er geen doorsnee grijs kantoortapijt gelegen. Links van me een verplaatsbare wand met de eredoctoraten van Robert B. Silvers (1929-2017): medeoprichter, en van het allereerste nummer in 1963 tot zijn dood op 20 maart de drijvende kracht achter het beste literaire – en politieke, wetenschappelijke, culturele – tijdschrift ter wereld, The New York Review of Books (NYRB). Rechts van me een ronde keukentafel met een wit tafelkleedje erop, daarachter een onbemande receptiebalie en een diepe pijpenla van een postkamer waar twee medewerkers druk zijn met wat de afwikkeling van de zojuist van de drukker gekomen jaargang 54, nummer 8 moet zijn, het tweede nummer ooit dat niet onder Silvers’ redacteurschap ‘naar bed gebracht’ werd. Voorbij de postkamer een reeks aan het zicht onttrokken ruimtes achter witte tussenwanden, met links de redactieruimten en rechts die van de uitgeverij. Voor me strekt zich een reeks open huiskamerachtige ruimtes uit. Dit doodnormale kantoor in de New Yorkse Village is het thuis van The Review en zijn circa dertig medewerkers.

Robert Silvers

Een bevreemdende ervaring om – na aanmelding bij de portier beneden (‘kom je voor Nike of voor de New York Review?’) – met een gewone lift naar de derde verdieping een gewoon hoekkantoor van zo’n 750 m2 binnen te stappen, en te weten dat je op de onbetwiste top van de literair-culturele Olympus bent aanbelandt. Een Olympus wier mindere goden ik de dag ervoor in de New York Public Library nog met een bijzonder inspirerende en levendige herdenkingsdienst afscheid had zien nemen van hun Zeus. Afgaand op de verhalen van de vijftien sprekers daar (onder anderen Mary Beard, Ian Buruma, Daniel Mendelsohn, Martin Scorsese, Samantha Power, Zadie Smith en Patti Smith; zie afbeelding), en op die van de helft van de circa dertig vaste medewerkers die ik de komende tien dagen zal spreken, is de verstilling die ik aantref op zijn zachtst gezegd onkarakteristiek. Want Zeus heerste er 54 jaar absoluut, altijd, alomtegenwoordig, bewonderd, onkenbaar, wispelturig; met een onvoorstelbare hoeveelheid redactioneel inzicht en ervaring, een aan waanzin grenzende drive, een volstrekt onuitputtelijke nieuwsgierigheid, en een brandende liefde voor zijn auteurs en hun ideeën. Zo maak je dus 54 jaar lang zo’n goed, en bovendien op eigen kracht commercieel succesvol, highbrow tijdschrift.

Robert B. Silvers op de voorkant van het programma van zijn herdenkingsdienst. Foto Merlijn Olnon

Martin Scorcese maakte een aantal jaar terug een film ter gelegenheid van het vijftigjarig jubileum van de Review. The 50 Year Argument (2014) geeft niet alleen een indruk van het culturele en politieke belang van het blad, en van de persoonlijke bescheidenheid van de innemende maar enigmatische Silvers – die er ondanks zijn alomtegenwoordigheid en dominantie een hekel aan had in de schijnwerpers te staan en de camera liever op zijn auteurs gericht zag. De goede kijker ziet vooral ook Silvers’ rusteloze energie, en de redactiedruk waaronder die geharnast moest worden. Alles in dienst van de eeuwige volgende deadline en het afleveren van het best mogelijke nummer: iedere twee weken opnieuw tussen de vijftig en de honderd flinke tabloidpagina’s proza – foutloos, stilistisch hoogstaand, in de volle breedte, zonder gewauwel of jargon, precies én toegankelijk, strijdbaar ook. Of, zoals het heet: een goede liberal arts-opleiding, met een heel verdienstelijke bèta-afdeling, voor de prijs van een abonnement. Des te opmerkelijker is het dat Silvers bij het overlijden van de meer literair geëngageerde medeoprichter en -redacteur Barbara Epstein in 2006, zonder omhaal haar auteurs overnam. Hij verdubbelde daarmee als 77-jarige zijn toch al Herculische werklast en werd de enige redacteur van zijn paper. Het matchen van actualiteit, ideeën, nieuwe boeken en auteurs: ‘Bob’. De redactie, ‘Bob’. Het auteurscontact: ‘Bob’. Het samenstellen van de nummers: ‘Bob’…daarbij zelden minder dan 18 uur per dag (én nacht) vrijwel onafgebroken en gelijktijdig tientallen stukken redigerend, auteurs bellend en schrijvend, maar vooral bevelen uitvaardigend aan zijn in twee ploegendiensten werkende legertje van assistent-redacteuren en redactie-assistenten.

En nu, koud een maand nadat hij, haast tot zijn laatste adem nog doorredigerend vanuit zijn korte ziekbed, zijn laatste adem uitblies? Nu is het dus vreemd stil. De buitenwereld, lezers, collega’s en concurrenten, adverteerders, uitgevers; ze houden allen hun adem in, voorspellen de plotse dan wel gestage ondergang van dit literaire vlaggenschip, wedden met elkaar wie het stokje zal overnemen en hoe het hem, haar, het blad zal vergaan. Ondertussen rouwen ‘zijn’ auteurs – inmiddels overgenomen door senior redacteuren Michael Shae, Hugh Eakin, Eve Bowen en Jana Prikryl, bijgestaan door de jonge redactie-assistenten Gabriel Winslow-Yost, Madeleine Schwartz en Lucy McKeon – en eren ze de man die ze (ik parafraseer) als schrijvers maakte tot wie ze waren; de man die ze als persoon eigenlijk niet kenden, maar die het als zijn levenstaak zag om ze hun stem te laten vinden en die te laten horen; de man die er op de achtergrond altijd was – ze knedend, achtervolgend, drijvend tot hun volgende, nog betere essay. En pats, om met Zadie Smith te spreken, ‘with Bob goes the urgency’: weg is ‘de beste lezer die je je als auteur kan wensen’.

De literary lion (zoals Silvers in 2014 door de NY Public Library werd benoemd) brult niet meer naar zijn redactie hoe marvellous of horrible de dingen verlopen. Zijn kenmerkende halfronde bureau, pal in het hol van de leeuw achterin de redactieruimte is onbemand, maar nog altijd vol, een paar half-gevulde verhuisdozen ernaast. En, het tijdschrift draait door… stil, ijverig, niet overdadig aangedaan, in het oog van de storm. Maar ja, wat is na Bob de visie, de lijn?

Ian Buruma

Op één van de laatste dagen van mijn door het Letterenfonds mogelijk gemaakte onderzoeksverblijf (voor mijn eigen Dutch Review of Books, de Nederlandse Boekengids) lunch ik met Ian Buruma. Met rond de 165 bijdragen sinds 1985 is Buruma de enige Nederlander die zich met recht vaste auteur van de Review mag noemen. Ik heb het niet nageteld, maar durf te wedden dat we hem met dat aantal Review-essays achter zijn naam eigenlijk de vaste auteur zouden moeten noemen. Hij is ook de enige auteur die er, zo merk ik, bijna dagelijks te vinden is. Het is op Buruma’s voorspraak dat uitgever Rea Hederman (sinds 1984) bereid bleek ons zelfs in deze ingewikkelde overgangsperiode alsnog welkom te heten (een eerder bezoek werd vanwege Silvers gezondheid aangehouden) en vrijwel onbeperkt inzage te geven in het reilen en zeilen van de Review en de uitgeverij die Hederman er omheen bouwde om de redactie af te schermen van zakelijke beslommeringen. Na een aantal natte en frisse New-Yorkse dagen is Buruma, die zijn enthousiasme over onze Nederlandse review niet onder stoelen of banken schuift, op deze verrassend warme lentemiddag met de metro vanuit zijn huis in Harlem naar het schaduwrijke tuinterras van Ladurée-SoHo gekomen voor een ontspannen lunch en een goed gesprek over de Review, zijn ervaringen als auteur en, natuurlijk, de toekomst.

De redactie van buiten. Foto: Merlijn Olnon

De manier waarop Buruma binnenkwam bij de Review, zo bevestigde daags erna ook adjunct-uitgever Catherine Tice, geldt daar als een vermetel wapenfeit. Als ik hem ernaar vraag, vertelt hij dat een boek van zijn hand (Behind the Mask: On Sexual Demons, Sacred Mothers, Transvestites, Gangsters, Drifters and Other Japanese Cultural Heroes) lovend besproken werd in de Review van 28 maart 1985. De stoutmoedige Nederlander (destijds nog wonend in Hong Kong) besloot daarop zichzelf bij een volgend bezoek aan New York onaangekondigd te melden bij Silvers, een unicum. Geïntrigeerd besloot Silvers hem een eerste klus te geven, hetgeen inderdaad leidde tot een eerste essay in de editie van 18 juli 1985, en dat jaar nog twee, zeven het jaar erop, en zo voort. Zo ging dat met Silvers: als je stukken hem bevielen, dan was het door, door en nog eens door. Zomaar, onuitgesproken gerekruteerd.

Of eigenlijk, ‘onuitgesproken’ was het in Buruma’s geval bij nader inzien niet helemaal. Als ik hem confronteer met het feit dat hij in goed-ingelichte kringen wordt getipt als Silvers’ opvolger, zegt hij: ‘Oh, dat oude verhaal. Ik weet wel waar dat vandaan komt.’ Jaren terug, toen hij er nog lang niet woonde of aan Bard College doceerde, had Silvers’ – ‘waarschijnlijk in een aanval van midlife crisis’ – hem eens naar New York besteld, naar bleek om hem te vragen het stokje over te nemen. Buruma, wegwuifend: ‘Ik reageerde te afwachtend, twijfelde of ik mezelf niet eerst en vooral verder wilde ontwikkelen als schrijver. Nooit meer iets van vernomen. Waarschijnlijk kwam Bob ook snel weer bij zinnen.’ Maar op mijn suggestie dat het dan misschien maar beter was in dienst van zijn schrijverschap het hoofdredacteurschap niet te ambiëren, reageerde hij met een onkarakteristiek fel ‘Hoezo?!’

Het programma van de herdenkingsdienst. Foto Merlijn Olnon

Stel dat je het zou zijn, vroeg ik, wat zou je anders doen? Buruma: ‘Het tijdschrift dreef vrijwel volledig op de belangstelling van Bob, met als gevolg ruime aandacht voor politieke actualiteit, mensenrechten en bijvoorbeeld de Renaissance. Wat de Review naar mijn mening te weinig doet is Azië en vooral Afrika. En moderne kunst (dat alleen een rol van betekenis speelt op het door de assistent-redacteuren gerunde blog NYR Daily). Vooral een kwestie van nieuwe auteurs zoeken eigenlijk.’ Daar is, ondanks de felle concurrentie van The New Yorker en een aantal hippere kunsttijdschriften ruimte voor, zo is bij Buruma en redactie de (volgens mij zeer juiste) overtuiging, omdat hun ‘stille kracht’ eigenlijk niet zozeer Silvers zelf was, maar wat Silvers bewerkstelligde: de wederopstanding en decennialange doorontwikkeling van de in de jaren ’60 met uitsterven bedreigde vorm van kritiek die Epstein en hijzelf (vlak daarvoor weggelokt bij The Paris Review) zo belangrijk vonden: het toegankelijke maar desalniettemin erudiete (boeken-)overzichtsessay van enkele duizenden woorden.

Dat review essay is een begrip geworden, The New York Review is met zo’n 130.000 abonnees nog onverminderd succesvol en heeft inmiddels vele kinderen gebaard: The London Review, The Los Angeles Review, The Scottish Review, de Nederlandse Boekengids | the Dutch Review (sinds oktober 2015) en deze mei nog The Johannesburg Review. Silvers, kortom, heeft zijn Renaissance gekregen. En de Nederlandse Ian Buruma – zo wordt 18 mei, twee weken na ons laatste gesprek, dan toch bekend – wordt er de grootste voorvechter en maecenas van.

En de urgentie? Het zal voor een aantal auteurs even wennen zijn zonder de redacteur die ze maakte, en voor de redactie even schakelen naar kantooruren en wat meer ruimte voor eigen initiatief en verantwoordelijkheid. Maar iedereen die ik die twee weken hoor en spreek is het erover eens: de urgentie is groter dan ooit. De levensgrote problemen van de VS en de wereld hebben het meer dan ooit nodig: niet aflatende nieuwsgierigheid, een moreel kompas, intelligentie, duidelijkheid en vuur. Zoals Silvers zei toen hem ooit werd gevraagd ‘When will you step down?’: ‘Never step down, only step up.’

De volledige versie van dit essay is vanaf 26 juni te lezen in de Nederlandse Boekengids¸