De iep en zijn ondoorgrondelijke zaadtactiek

Alledaagse wetenschap Het ene jaar weinig zaden. Het andere jaar, zoals nu, krankzinnig veel. Dan weer lege zaden. Heeft de iep een strategie?

Iepenvruchtjes op het Jonas Daniël Meijerplein in Amsterdam, 14 mei. Foto Karel Knip

En weer staat de Amsterdammer tot aan zijn enkels in de iepenvruchtjes. De iepenhoofdstad van Europa beleeft zijn zoveelste iepentopjaar. Na een uitbundige bloei, die niemand opmerkte omdat iepenbloempjes zo bescheiden zijn, kwam het tot een uitzonderlijke iepenzaadzetting. En daarna dwarrelden de gevleugelde nootjes alle kanten op. Kunstzinnige lui hebben er de naam springsnow voor bedacht.

Om de zoveel jaar komen de iepen allemaal tegelijk tot zware zaadzetting. Zo’n jaar heet een mastjaar, 2006 was er een en 2009 ook en later zullen er wel meer geweest zijn, je kunt niet alles bijhouden. Een waterdichte definitie is er trouwens niet, het gaat om het verschil tussen veel, heel veel en krankzinnig veel.

Dit jaar zijn er krankzinnig veel vruchtjes en daar valt evenredig veel genoegen aan te beleven, vraag het de springsnowlui, maar er is ook een keerzijde: de iepen die de meeste vruchtjes produceerden hebben nu het minste blad. Sommige bomen staan er bij alsof het winter is, alsof ze nóóit meer blad zullen krijgen. Waarom is dit en komt het nog goed?

„Het komt goed”, zegt Jitze Kopinga van Kopinga Boomadvies (eerder verbonden aan instituut Alterra). „Het verontrust mensen elke keer, maar het blijkt steeds weer dat de bomen later in het groeiseizoen normaal in blad komen.”

Dat dit jaar een mastjaar zou zijn stond al in de zomer van 2016 vast. Toen werd bij de aanleg van nieuwe knoppen beslist of het blad- of bloemknoppen zouden zijn. Uit bladknoppen ontstaan altijd uitsluitend bladeren, uit bloemknoppen bloemen, maar soms ook bladeren. Wat voor de meeste Hollandse iepen (steriele kruisingen tussen de gladde iep, Ulmus minor, en de ruwe iep, Ulmus glabra) de factor is die de doorslag geeft in massale aanleg van bloemknoppen is onduidelijk. Er valt weinig systeem te ontdekken in de opvolging van mastjaren.

Iepen produceren ook wisselende hoeveelheden lege zaden

Waarom er iepen zijn in Amsterdam die nooit meedoen aan het mastfeest kan Kopinga wèl uitleggen. Er zijn de laatste vijftig jaar veel andere iepenrassen aangeplant dan de beroemde breed uitgroeiende variëteit ‘Belgica’ die de grachten hun typische aanzien geeft. Belgica bleek gevoelig voor de iepenziekte die Nederland rond 1920 bereikte. Het lukte uit kruisingen van andere iepensoorten rassen op te kweken die resistent zijn. Die doen niet aan massale vruchtvorming. En ze hebben ook niet de mooie Belgica-kroon.

Goedbeschouwd zijn al die steriele cultivars met hun onvruchtbare vruchtjes, waaruit nooit een iepje opgroeit, natuurlijk hartstikke onnatuurlijk en dat beneemt de bioloog de lust om naar het eventuele nut van hun ‘mast seeding’ te zoeken. Maar de wilde fladderiep (Ulmus laevis), algemeen in Midden- en Oost-Europa, doet ook aan ‘masting’. En eiken en beuken en veel andere windbestuivende bosbomen evengoed. En vaak net zo spectaculair. Van de weeromstuit zijn toch veel hypothesen over nut en noodzaak naar voren gebracht. Aan stevige fundamenten schort het nog.

Op grond van niet al te sterke statistiek wordt vaak aangenomen dat aan een mastjaar een warme en vooral droge zomer – of lente – vooraf gaat. Nu het klimaat zo opwarmt neemt de mastfrequentie inderdaad wat toe, althans onder Zweedse beuken. Raar: soms toont statistiek vooral een verband met het weer dat twee jaar voor het mastjaar heerste.

Een hete, droge zomer slaat gaten in het bladerdak van het donkere bomenbos en bevordert zo de groeikansen van de zaden die de bomen eronder laten vallen. Het heeft dus nut direct na een droge zomer veel zaden te produceren. Dit is zo’n hypothese. Andere nuthypothesen, er zijn er wel tien, leggen minder verband met weer of klimaat. Neem de hypothese van de ‘seed-predator satiation’: als je op onverhoedse momenten heel veel zaden produceert verzadig je je vaste clientèle aan zaadeters (vogels, knaagdieren) en zullen meer kiemkrachtige zaden overleven.

Zaadvraat

In PLOS ONE (juni 2013) presenteren Spaanse biologen wat resultaten van onderzoek aan een bosje fladderiepen bij Madrid. De iepen daar doen aan ‘masting’ maar produceren ook wisselende hoeveelheden lege zaden. Beide hebben effect op de zaadvraat en de levenskansen van kiemkrachtig zaad. Ramón Perea c.s. maakt onderscheid tussen vraat in de boom, vooral van eekhoorns, groenlingen en Europese kanaries, en vraat op de grond door groenlingen, vinken en bosmuizen. Het blijkt dat vinkachtigen de nootjes tussen de vliezige vleugels uitpeuteren. De stoere Amsterdamse stadsduif werkt de vruchtjes met vleugel en al naar binnen.

De vruchtjes van de Hollandse iep zijn steriel, maar ze zijn niet leeg, er zit een tamelijk compleet zaadje in. Ze wegen per stuk ongeveer tien milligram, maar de relatief grote vleugels geven ze toch een daalsnelheid (0,5 m/s) die minder is dan voor de meeste sneeuwvlokken is geregistreerd en anders dan sneeuwvlokken warrelen ze ook weer makkelijk van de grond op. Zo brengen ze de fijnste luchtturbulentie in beeld: kleine werveltjes, de slipstream van bromfietsen, enzovoort. Dat is hun kunst. Hier op de foto laten ze zie hoe turbulentie het zwarte asfalt rond de stamvoet van hun moederiep zaadvrij houdt.