Interview

‘De elite wilde van niets weten’

Claudio Magris

In zijn nieuwe roman behandelt de Italiaanse schrijver alle aspecten van de oorlog: wapens, geur en smaak, maar vooral het uitwissen van de collaboratie door de elite van Triëst na 1945.

Claudio Magris: ‘Orde scheppen, classificeren, is tenslotte een schild dat je beschermt tegen het verval van het leven’

In Het museum van oorlog, de nieuwe, meesterlijke roman van Claudio Magris probeert een naamloze verzamelaar in Triëst een museum op te richten, gewijd aan alle aspecten van de oorlog. Maar door kanonnen, geweren, onderzeeërs, tanks, elementen van een veldkeuken, een zwaard van een Habsburgse keizer, een knots uit de oertijd, uniformen, propagandamateriaal, egodocumenten, foto’s en geluidsopnames tentoon te stellen wil hij ook het kwaad in beeld brengen om op die manier de vrede in de wereld te propageren.

Het klinkt bewonderenswaardig, maar als de verzamelaar tijdens een brand in zijn museum in wording op mysterieuze wijze om het leven komt, blijkt dat niemand in Triëst om zijn museum staat te springen. De lokale elite wordt liever niet aan haar verleden onder Mussolini en de Duitse bezetting herinnerd.

De Triëstenaren zijn vooral opgelucht omdat een deel van de aantekeningen van de verzamelaar met de namen van de medeplichtigen aan de moorden in het lokale nazi-concentratiekamp Risiera di San Sabba verloren is gegaan. In Risiera zijn zo’n 3.000 Triëster joden en verzetsstrijders door nazi-beulen gemarteld en vermoord, terwijl meer dan 20.000 anderen van hieruit naar Auschwitz zijn gedeporteerd.

„Tot lang na de oorlog zweeg in Triëst iedereen als het graf over dat kamp en de folteringen die er hebben plaatsgevonden”, vertelt de beminnelijke intellectueel Magris (Triëst, 1939) in een Brussels hotel waar ik hem spreek tijdens een tussenstop op weg naar de Vrije Universiteit in Berlijn, die hem een eredoctoraat heeft verleend. „Pas toen eind jaren zeventig in Triëst een proces werd gevoerd tegen een van de nazi-beulen van toen, Oberhausen, kwamen we te weten wat zich er had afgespeeld. Ik had die man een paar jaar eerder in München, waar hij een café dreef, makkelijk kunnen opzoeken, want ik gaf er toen college, maar ik wist op dat moment nog niet dat hij bestond. En vergeet niet dat de SS’er Odilo Globocnik, de commandant van Risiera, uit Triëst kwam en daarvoor baas van vernietigingskamp Treblinka was.”

Hoe reageerde men in Triëst op de onthullingen over de collaboratie van de elite en de wreedheden in Risiera?

„Het veroorzaakte geen shock, want iedereen wist het al zo’n beetje of wilde het nog altijd niet weten, omdat ze het zo lang verdrongen hadden.

„ Veelzeggend is dat een paar jaar na de oorlog in de beroemde Villa Trieste postuum een medaille werd uitgereikt aan een van de beulen uit Risiera. Het besluit daartoe was nog onder Mussolini genomen, maar omdat de bureaucratie in Triëst op zijn Habsburgs traag werkte, kwam het er pas na de oorlog van om die medaille uit te reiken. Een voormalige verzetsheld, die ook gedecoreerd werd, heeft toen uit protest zíjn medaille teruggegeven.”

U was zelf kind tijdens de bevrijding van uw stad in 1945. Wat herinnert u zich nog daarvan?

„Het was een grote chaos. Iedereen vocht tegen iedereen: communisten en democratische partizanen tegen fascisten en nazi’s, Sloveense communisten tegen Italiaanse democratische partizanen, fascisten tegen de nazi’s. En toen Tito met zijn mannen van het 9de Legerkorps kwam, brak het uur der wrake aan en vielen er veel – met name Italiaanse – onschuldige slachtoffers. Het was een onbestemde tijd, waarvan ik me vooral de beelden van vluchtende mensen herinner en van de komst van de kozakken.”

In uw boek voert u ook de joodse burgemeester van Triëst op, die tot 1938, toen Mussolini de rassenwetten invoerde, een fanatieke fascist was. Hoe zat dat precies?

„In de beginjaren van het fascisme hadden veel Italiaanse joden zich als patriotten bij de fascisten aangesloten. Italië was tenslotte een antiklerikaal land. In Triëst was een van de grondleggers van de fascistische partij Piero Jacia, een van de leiders van de joodse gemeenschap. In de Spaanse Burgeroorlog is hij gesneuveld als antifascist. De Romeinse fascist Enrico Rocca, een joodse germanist, pleegde in 1938 zelfmoord, toen Mussolini onder druk van Hitler de rassenwetten invoerde.

In de kleine geschiedenissen zit het geluk, in de Geschiedenis het nihilisme.

„Ik moet in dit opzicht vaak denken aan mijn vriend Nathan Weisenfeld, de voormalige voorzitter van de joodse gemeente in Triëst. In de beginjaren van het fascisme, toen Mussolini nog niet uitgesproken antisemitisch was, was hij met zijn orthodox-joodse ouders vanuit Oost-Europa in Triëst komen wonen, omdat die stad een joodse burgemeester had. Zijn vader, die in kaftan liep, pijes droeg en Mussolini vertederend ‘Moisele’ noemde, was apetrots op het zwarte uniform van de fascistische jeugdorganisatie dat zijn zoon droeg. Hij dwong Nathan dan ook om samen met hem in dat uniform door de stad te wandelen. Als ze dan een fascistische grootheid tegenkwamen, maande hij zijn zoon in het jiddisj met de woorden: ‘Hef de hand, mesjugge!’ Zoiets is voor mij hét symbool van zelfbedrog. Als ik me ’s ochtends voor de spiegel sta te scheren en de vele fouten uit mijn leven overdenk, fouten die veel minder tragisch zijn dan die van Nathans vader, begroet ik mijn spiegelbeeld altijd met de woorden ‘Hef de hand, mesjugge.’”

Triëst maakte tot 1918 eeuwenlang deel uit van het Habsburgse rijk. De bevolking bestaat uit Italianen, Oostenrijkers, Slovenen, joden, die in harmonie met elkaar samenleefden. Hoe kon dat?

„Een Sloveense boer die uit het Karstgebergte naar Triëst trok, werd burger en Italiaan. Zo simpel was het. Veel activisten van het irredentisme (de beweging die hereniging van Triëst met Italië wilden, red.) hadden Sloveense namen.”

Hoe pakte die symbiose tijdens de Tweede Wereldoorlog uit?

„De lokale elite van bankiers, industriëlen en reders was dik met de nazi’s, maar koos als het erop aankwam ook voor haar stadsgenoten. Zo schrijf ik in mijn boek over baron Wenck, een reder, die op bezoek gaat bij een oude studievriend uit München, die inmiddels Gestapo-officier in Triëst is. Als in diens kantoor arrestanten worden binnengebracht, die verdacht worden van een aanslag, herkent hij een willekeurig opgepakte jongen die bij hem in de tuin heeft gewerkt. Hij doet dan, met succes, een goed woordje voor hem.”

Uw roman speelt zich ook af in Zuid-Amerika, waar een van de voorouders van Luisa, die na de dood van de verzamelaar diens werk voortzet, vandaan komt. Het is een rijk verhaal over slavernij, maar ook over de oorlogen van een indianenstam in Paraquay, de Chamacoco. Wilde u daarmee aantonen dat oorlogen overal hetzelfde zijn?

„In een zaal van het oorlogsmuseum ligt een Chamacoco-strijdbijl. Ik vertel hun geschiedenis aan de hand van de Praagse ontdekkingsreiziger en etnoloog Albert Fric, die in 1908 een Chamacoco-indiaan meenam naar Praag, zodat die er kon genezen van een onbekende ziekte die bijna zijn hele clan had uitgeroeid. Ik heb voor mijn boek de taal van die indianen bestudeerd en die bleek er een te zijn van ontkenning van de toekomst. Als iemand zegt ‘Ik hou niet van je’, dan beweert hij in werkelijkheid ‘Ik zal van je houden’. Zoiets fascineerde me.”

Wat wilt u met al die uiteenlopende verhalen in uw boek zeggen?

„Mijn museumverzamelaar is geobsedeerd door het fenomeen oorlog. Aan de hand van de door hem bijeengebrachte objecten en die uiteenlopende geschiedenissen die ik vertel, wil ik oorlog invoelbaar maken. Maar ook heb ik het verhaal willen vertellen van een voorbije liefde – tussen Luisa’s ouders – , en van de liefde van een kind – Luisa – voor haar ouders.”

U heeft uw roman als een detective geschreven. Steeds duidelijker wordt hoe de verzamelaar is omgekomen.

„Ik heb Luisa het museum laten organiseren als een middeleeuwse raamvertelling. Anders dan de verzamelaar, die gebaseerd is op Diego de Henriquez, die in Triëst echt een oorlogsmuseum wilde oprichten en bij een mysterieuze brand in zijn depot omkwam, is Luisa een verzonnen personage. Ik laat haar op zoek gaan naar die geheimzinnige notitieboekjes met de namen van de beulen uit Risiera. Over die notitieboekjes doen nog steeds geruchten de ronde, omdat niemand weet wie er wel of niet in genoemd wordt.”

Zegt die tweeslachtigheid over het oorlogsverleden van Triëst iets over de mentaliteit in uw geboortestad?

„Triëst is een kleine stad met oude tradities. En ook al is die door keizerin Maria Theresia gesticht, het bindmiddel was toch altijd Italiaans. In 1909 heeft de beroemde literatuurcriticus Hermann Bahr gezegd: ‘Het is een wonderschone stad, maar je hebt het gevoel nergens te zijn.’”

Is uw manische verzamelaar een typisch product van die neurotische ‘kaiserliche und köningliche’ Habsburgse samenleving?

„Zeker, zijn verzameldrift is een typische ‘k&k’-vlucht in de orde. Orde scheppen, classificeren, is tenslotte een schild dat je beschermt tegen het verval van het leven, dat tenslotte zo voorbij kan zijn. Een verzameling zal je nooit bedriegen of teleurstellen. Mijn held wordt gekweld door het leven. De dood, in zijn geval zijn verzameling dode objecten, biedt hem daarentegen de rust als op een begraafplaats. Die orde van de Habsburgers dat heeft dus ook een tedere kant.”

Uw boek lijkt over de hele Europese geschiedenis te gaan. Klopt dat?

„Jazeker, maar het gaat ook over de afgrond van de geschiedenis, over de moeilijkheid om geschiedenis met een grote G te schrijven en over de problematische verhouding tussen die Geschiedenis en geschiedenissen, de kleine verhalen over gewone mensen, die je in de grote geschiedenis moet zien te integreren. In de kleine geschiedenissen zit het geluk, in de Geschiedenis het nihilisme.

„Die spanning voelde ik heel goed toen ik in mijn boek de groteske scène schreef over de viering van Hitlers verjaardag op 20 april 1945 in het Miramare-kasteel in Triëst. De oorlog is dan vrijwel verloren en de Russen staan al in Berlijn. Maar de Duitse Hoge Commissaris Friedrich Rainer zegt in zijn verjaardagstoespraak toch dat het noodzakelijk is voor de geallieerden om zich met de nazi’s te verenigen om tegen de rode Slavische horden te vechten die Europa willen vernietigen. Natuurlijk geloofde die Rainer daar niet in, net zomin als de andere nazi-bestuurders en fascistenleiders om hem heen, die zijn woorden herhaalden. De enigen die gedwongen werden erin te geloven, omdat het de enige mogelijkheid was om hun leven te redden, waren de Slavische collaborateurs in de stad. Het was een cynische tijd, een maalstroom waarin iedereen op zijn manier moest zien te overleven.”