Auke Hulst ging terug naar de plek waar Jeff Buckley stierf

Jeff Buckley verdronk twintig jaar geleden in Memphis. Schrijver Auke Hulst, fan van het eerste uur, trok naar Tennessee, op zoek naar sporen van de tragische rocker.

Foto Merri Cyr

‘Well, it’s my time coming / I’m not afraid / afraid to die…’

Het was in een tijd waarin de wereld nog niet volcontinu via Twitter en Facebook bij je op de stoep stond; waarin modems krakend het universum aanriepen in de hoop op schamele post. Er was een krantenbericht, er was een voetnoot bij Het Journaal – informatie was schaars. Jeff Buckley, de zanger-gitarist met de stem van een gekwelde engel, was op 29 mei 1997 verdronken, 30 jaar oud. Zelfmoord? Een ongeluk? Ik wist alleen dat Buckley uit een rivier bij Memphis, Tennessee, was gevist en dat ik nog nooit van de betreffende rivier had gehoord.

Die rivier is de Wolf River, een zijarm van de Mississippi. Ze ontspringt in Holly Springs National Forest om uiteindelijk zo’n honderd mijl noordwestelijk uit te monden in de waterweg die door de lokale bevolking The Big Muddy wordt genoemd. De rivieren vloeien samen bij een landtong die Mud Island heet en die de locatie vormt van een jachthaventje. Het schiereiland is gescheiden van Memphis door de Wolf River Harbor – wie wil oversteken kan een voet- of autobrug nemen, de monorail of het pontje. En zwemmen? Het roerloze water is nauwelijks breder dan een 50-meterbad.

Memphis is blues, soul en rock-’n-roll en meer verbonden met de nabijgelegen Mississippi Delta dan met het door country gedomineerde Tennessee. Dit is de stad van Sun Records en Stax Records, van B.B. King en Beale Street, van de Gibson-gitaarfabriek en Graceland, het landhuis van Elvis, kind en koning van de stad. Maar wie weet nog dat Jeff Buckley hier in een shotgun shack woonde, een houten huisje nauwelijks groter dan een schuur, en twintig jaar geleden verdronk?

Ondanks het weer – nog niet zo klam als het kan worden – is er weinig beweging op Mud Island. Ik sta aan de kant van de stad, de hoogbouw in mijn rug. Een briesje streelt mijn gezicht, de zon weerkaatst op de glazen piramide van de Bass Pro Shops, een megastore voor vissers en jagers, inclusief binnenmoeras met alligators. In de verte raast het verkeer over de brug die Tennessee met Arkansas verbindt.

Op zoek naar het gedenkbankje dat door een fan geplaatst is, daal ik over keien, houtsnippers en zwerfafval af naar de oever. Het water heeft de kleur van slappe koffie met een wolkje melk. Een zwerver die zich ruggelings ligt te verwijlen op Cobblestone Landing roept me toe: „Hey broer, heb-ie dollar voor een flessie water? Godskolere, zo’n dorst, broer.” Ik reageer niet en hij sluit zijn ogen weer.

Foto Merri Cyr

Maar nergens dat bankje. Dus informeer ik er naar bij twee millennials die onder het genot van blikjes Heineken zitten te kaarten in het gras.

Justin heeft hip kreupelhout op het hoofd, Emily heeft de oneffen huid die hoort bij leven op de limiet. Toch zijn ze beiden, op een rafelige manier, reclameknap. Ze reizen door het land als de geliefden uit Simon & Garfunkels America en sprokkelen de kilometers en calorieën bij elkaar. „Deze zomer gaan we werken in Alabama”, zegt Emily. Justin, aangeschoten: „Als ik genoeg gespaard heb kan ik mijn eigen reisbedrijfje beginnen.”

Maar ook zij hebben geen gedenkbankje gezien. Sterker: ze hebben van die hele Buckley nog nooit gehoord.

Grace

‘Eternal Life is now on my trail /

Got my red glitter coffin, man / just need one last nail…’

Toen de clip van Buckley’s debuutsingle Grace in high rotation ging op MTV, was het of iemand de ramen openzette. We schrijven 1994, het jaar van Reel 2 Real, 2 Brothers on the 4th Floor en 2 Unlimited. Ik deelde met mijn broer een zolderkamer waar we elk moment uit konden worden gezet – wat gebeurde – en was verworden tot spookstudent. Ik was 19, had geen vrienden, geen meisje. Dus las ik veel en luisterde ik naar muziek van voor mijn tijd.

De impact van Grace zal met het barre muzieklandschap te maken hebben gehad. Buckley, een dromerige jongen in die lange traditie van Amerikaanse misfits, vermengde de pathos van blues en operette en versterkte met zijn etherische stem een tekst waarin velen later de aanzegging van zijn vroege dood zouden lezen. Later, toen ik mezelf enigszins geschoold had, werd me duidelijk waarin de muzikale verrassing school. Buckley en co-auteur Gary Lucas gebruikten andere dan de standaard akkoorden, speelden met toonsoort en schuwden dissonanten en een maatsoort in 12/8ste niet. Buckley combineerde hart en ambacht, wat hem zeker niet de accidental hero van alternatieve rock maakte die velen in hem wilden zien, maar wel een talent van formaat.

Het album Grace.

Grace, het gelijknamige album met daarop ook zijn versie van Leonard Cohens Hallelujah, was met enige vertraging de klassieker geworden die we kennen. De druk voor het tweede album was hoog en al snel had Buckley er 354.000 dollar doorheen gejaagd met vruchteloze opnamesessies. Zijn contact met Columbia Records verliep stroef, zijn band rammelde, er waren twijfels over producent Tom Verlaine. Buckley wilde een rauwere sound, maar zijn perfectionisme ondergroef de benodigde spontaniteit. Bovendien zat zijn toenmalige thuishonk New York hem in de weg. Er was te veel afleiding en ondanks zijn voornemen nooit dezelfde fouten te maken als zijn beroemde vader, singer-songwriter Tim Buckley, had hij geëxperimenteerd met heroïne. Hij moest elders opnieuw beginnen, het maakte niet uit waar.

Memphis dus.

In eerste instantie namen Buckley en band hun intrek in het Claridge House, in de jaren twintig en dertig het hoogste hotel van de stad en het hart van de café society. Op het dakterras speelden dansorkesten die tijdens lome zomeravonden een deken van swing jazz over de binnenstad drapeerden. In 1968, vlak na de moord op Martin Luther King Jr. in het nabije Lorraine Motel, sloot het Claridge de deuren. Het zou vijftien jaar leegstaan, voor het in gebruik werd genomen als appartementencomplex. Een weinig inspirerende locatie; de glorie had het gebouw – waar de gouverneur Elvis ooit tot ere-kolonel benoemde – allang verlaten. Vanuit zijn kamer keek Buckley neer op de plek waar hij verdrinken zou.

Maar Memphis zelf inspireerde. In tegenstelling tot Nashville, waar de Disneyficatie totaal is, was dit een échte stad, met scherpe randen. Zoals Buckley’s biograaf David Browne in Dream Brother schrijft: „De relaxte atmosfeer van Memphis had een griezelige, onbehaaglijke onderstroom, alsof de stad wilde voorkomen dat mensen zich te zeer op hun gemak zouden voelen.”

Elke dag trok de band naar de Easly McCain Studio, waar ze een nieuwe poging waagden de basis voor een album te leggen. Na die sessies vloog de band terug naar New York. Buckley besloot te blijven, om na te denken en zijn materiaal bij te schaven. Maar het Claridge zei hij vaarwel. In plaats daarvan huurde hij voor 450 dollar per maand een shotgun shack in Midtown, zijn laatste huis.

Memphis Zoo

‘The dark angel, he is shuffling in…’

Zijn beste vriend was de Bengaalse tijger in Memphis Zoo.

Ik werd naar de dierentuin verwezen door een oude dame van de VVV. Ze had me door jampotglazen vragend aangekeken. Jeff wie? Met haar tablet wist ze niettemin wat flintertjes info op te duikelen. Op haar badge stond de tekst: ‘Celebrating 20 million visitors to Graceland’.

Memphis Zoo maakt deel uit van Overton Park, aan een doorgaande weg, omzoomd door bouwmarkten, pandjeshuizen, een Walgreens, een Burger King, een Taco Bell, een Jack Pirtle’s Chicken Restaurant. Maar ook lege winkeletalages, die laten zien dat de crisis nog niet voorbij is.

In de dierentuin lopen met ijsjes gewapende families hutjemutje langs verblijven die er spic en span uitzien, maar toch de inherente treurigheid van gevangenschap houden. Vooral Cat Country blijkt in trek. Ik schuifel langs de poema’s, leeuwen en een ijsberende panter (‘a gift from Sessel’s Supermarkets’), en kom dan bij het tijgerverblijf. Een stenen bankje ligt in de verkoelende schaduw van een rotspartij; kinderen spetteren zichzelf water in het gezicht bij fonteintjes. Ik wacht tot het bankje vrijkomt en neem plaats waar hij ooit zat.

Het gedenkplaatje in de dierentuin van Memphis waar Buckley veel kwam. Foto Auke Hulst

Toen Buckley in Midtown woonde, had hij geen voor Tennessee geldig rijbewijs, dus maakte hij wandelingen. De dierentuin was een favoriete bestemming. Hij zat uren in de vlindertuin of op dit bankje, bij een muur waarop inmiddels een gedenkplaatje is gemonteerd. Hier kon hij zijn carrière overdenken, zijn verhouding tot zijn vader, die hij nooit gekend had, en zijn familie, die getekend was door huiselijk geweld. „Mijn bloed is vervloekt,” zei hij ooit. Ik ken dat gevoel – ik heb bijna de leeftijd bereikt waarop mijn eigen vader stierf, 43 jaar oud, te jong, te plots. Ook ik heb dingen om te overdenken, en omdat ik nu eenmaal met mijn handen denk, maak ik driftig notities. Buckley voelt dichterbij, nu, en is in mijn aantekeningen opeens Jeff geworden; iemand die tot leven is gekomen en het cartooneske van beroemdheid is ontstegen. Aan de overzijde van de gracht ligt zijn vriend de tijger te slapen onder de aanvliegroute van Memphis International Airport.

Jeff woonde in een lommerrijk straatje dat North Rembert Street heet. Aan weerszijden staan shotgun shacks: smalle, houten huisjes die stammen uit de negentiende en vroege twintigste eeuw. Ooit was dit de dominante bouw in het Diepe Zuiden, maar stadsvernieuwing heeft met de meeste shacks, symbolen van armoede, korte metten gemaakt. Inmiddels worden de huisjes die bleven staan juist gezien als historisch erfgoed en zijn ze in trek bij jonge professionals. Dat dubbele karakter manifesteert zich nu in Rembert Street. Een hipster met baard en pompadour watert het gazon voor zijn in troetelbeerkleuren geglazuurde huisje; ernaast staat een bouwval met in de voortuin een beschimmeld matras en een roestbak. Ik parkeer mijn auto en word toegeknikt door een zwarte man met spillebenen die een plastic tasje vol sportdrank sjouwt. Hij heeft zich de lome tijgertred van de hitte aangemeten.

‘Zo’n lieve jongen. Zat altijd voor zijn raam gitaar te spelen. O, ik mocht daar graag naar luisteren’

Ik kan nummer 91 niet vinden: de nummering verspringt van 89 naar 93 – mogelijk is Jeffs woning al afgebroken. Nummer 93 is op last van de bank dichtgetimmerd en zal binnenkort ongetwijfeld voor goed geld verkocht worden.

Een paar huizen verderop zitten twee Afro-Amerikaanse dames op de veranda te kletsen in plastic tuinstoelen, met plastic bekers cola in de hand. Ze wenken me. „Je ziet er verdwaald uit”, zegt Geraldine, een grijzende, bebrilde vrouw met een plaid over haar knieën. Haar vriendin Beverly – spijkerbroek, sneakers, uitgedund gebit – schenkt me een glas.

Ik leg uit wat ik zoek en Geraldine wijst. „Het is dat itty-bitty house dat verstopt ligt achter nummer 93.”

„Weet u dat zeker?”

„Natuurlijk weet ik het zeker! Ik woon hier al mijn hele leven!”

Ze herinnert zich Jeff nog goed, zegt ze. „Er waren hier toen alleen maar kleurlingen. Ook in de omliggende blokken. Jeff was de enige blanke in de straat. Maar hij was wel deel van de buurt.” Weemoedig: „Zo’n lieve jongen. Zat altijd voor zijn raam gitaar te spelen. O, ik mocht daar graag naar luisteren.”

Beverly weet dat Jeff verdronken is, maar Geraldine leeft in de overtuiging dat hij zich thuis door het hoofd heeft geschoten. Met de nodige bombast: „Waarom moest die jongen dat nou doen?!” We sputteren tegen, maar Geraldine duldt geen tegenspraak. „Zijn vrienden hebben bij mij thuis nog de politie gebeld. Ze moesten the man uitleggen hoe je deze straat kon vinden. Want dat wisten die dienders natuurlijk niet! Deze buurt kon ze geen jota schelen.”

Ik laat het gaan, neem een slok, kijk om me heen. De veranda is de tribune, de straat het podium.

Aan de overzijde rommelt een man verweesd tussen puin dat de contouren aangeeft van een afgebroken shack. „Elke dag komt-ie”, zegt Beverly. „Zijn vader had het huisje voor ’m betaald met bloed en zware arbeid. Maar de onroerendgoedbelasting nekt je. Toen is de bulldozer gekomen.” Ze knikt. „Ja, zo ben ik ook het schip in gegaan.” Ze slaat een kruisje en Geraldine schenkt nog eens bij.

Toen Buckley zijn shotgun shack in Memphis betrok, had hij geen meubels, geen bed. Foto Auke Hulst

Toen Jeff zijn shack betrok, had hij geen meubels, geen bed. In eerste instantie was er niet eens elektriciteit. Zijn nieuwe vrienden in Memphis brachten hem wat ze konden missen: een bank, een melkkrat waarop hij zijn viersporen-recorder parkeerde, een stuk schuimrubber dat hij tot matras vouwde. Jeff had altijd al de neiging gehad slecht voor zichzelf te zorgen, en nu viel hij nog verder af. Maar dat monnikenbestaan was juist het punt, aldus zijn biograaf. „Het symboliseerde zijn focus op muziek boven levensstijl. Hij werkte aan demo’s, staarde uit het raam, maakte lange wandelingen. Vrienden omschreven hem als een kitten die van huis naar huis zwierf, dan eens hier gevoed werd, dan eens daar. Wanneer hij zelf iets te eten haalde, was het bij Saigon Le, een Vietnamees aan North Cleveland Street.” Het restaurant blijkt vlak voor mijn bezoek te zijn afgebrand.

Sowieso is de tijd niet vriendelijk geweest voor plekken die voor Jeff belangrijk waren. Om zijn materiaal ook live te kunnen aanscherpen, speelde hij elke maandag in Barristers, een bescheiden club Downtown. Dat was een eind weg, dus nam hij, met zijn gitaar, de bus. De opkomst was meestal bescheiden, ondanks Jeffs status als rockster en een vriendelijke toegangsprijs van 5 dollar. Maar ook Barristers bestaat niet meer. Toen ik er op een avond heen liep voor een afzakkertje, trof ik een leeg kantoorpand, met één enkele bureaustoel verdwaald op een zee van linoleum.

Uiteindelijk neemt Beverly me mee naar het paadje dat naar nummer 91 leidt, een piepklein schuurtje, dichtgetimmerd en eveneens onteigend. Ze biedt aan de wacht te houden. „Dan kan je niks overkomen, sweetheart.”

De hordeur is afgesloten met een steen – wanneer ik die aan de kant heb geschoven, blijkt de voordeur gewoon op slot. Ik zet mijn schouder ertegen – forceren gaat niet. Bovendien is er in de omringende tuinen te veel activiteit: een gazon wordt gemaaid, kinderen springen op een trampoline. Een briefje waarschuwt:

Posted. Private Property. Hunting. Fishing. Trapping or trespassing for any purpose is strictly forbidden. Violators will be prosecuted.

Foto Auke Hulst

Sommige ramen zijn dichtgetimmerd met triplex, bij andere kan ik naar binnen turen. Er staan spiegels op de grond, er staan kasten waarop een vachtje van stof is gegroeid, er ligt verschoten tapijt. De uitbouw aan de achterkant blijkt wel open te zijn – een wasbak is half van de muur gerukt, de stortdouche bestaat uit niet meer dan een kromgebogen waterleiding. Maar de deur naar de woonruimte is ook hier vergrendeld.

Wanneer ik later die middag weer naar de auto loop, hoor ik iemand gitaar spelen. Ik doe mijn ogen dicht en stel me voor dat hij het is.

Vader

‘And I feel them drown my name…’

Hij is nauwelijks ouder geworden dan zijn vader, en ja, over dit verhaal hangt de schaduw van dode vaders, de zijne en de mijne.

Jeff was acht toen zijn vader overleed, mijn vader overleed twee dagen voor mijn achtste verjaardag. Die overeenkomst treft me nu pas. Ik geloof dat er een onuitgesproken verbond bestaat tussen de vaderlozen, want ook de beide vrienden die ik als kind had, waren op hun manier vaderloos. Al die afwezige vaders zijn uiteindelijk een amalgaam van teleurstelling en ideaalbeeld: mysterieuze, beschadigde mensen die hun pijn hebben voortgeplant.

Jeff heeft er altijd mee geworsteld dat hij de zoon van Tim Buckley was. Diens fanatieke schare fans sprak met dédain over Jeff, die ze een zwakke echo van zijn vader achtten. Ze vergaten gevoeglijk dat hun held bij leven zijn gezin in de steek had gelaten. De oude Buckley was begonnen als folkzanger, maar zou zich gedurende zijn carrière in vele stilistische bochten wringen. Zijn platen – met invloeden van jazz, avant-garde, psychedelica en soul – werden na zijn dood omhangen met het aura van relikwieën. Jeff, die er ondanks een identiek stembereik een hekel aan had met zijn vader vergeleken te worden, zou de parallel met zijn eigen post-mortem deïficatie niet hebben aangestaan.

Tim kreeg Jeff toen hij nog maar 19 was en nam al snel de benen. Slechts één keer heeft Jeff zijn vader ontmoet, vlak voordat die in 1975 overleed aan een overdosis heroïne. Feitelijk was Tim in Jeffs beleving al bij leven overleden – de dood was slechts de bestendiging van het eerdere vertrek. En zoals dat gaat met de early departed, juist na zijn dood zou Tim springlevend aanwezig zijn in de gedachten van zijn zoon.

‘Mijn bloed is vervloekt,” zei Buckley ooit

Jeff werd niet uitgenodigd voor de begrafenis, maar speelde in 1991 wel op een avond ter ere van zijn vader. „Dat concert zal feitelijk worden gezien als mijn debuut”, zei hij later tegen Rolling Stone. „Ten onrechte. Het was niet míjn werk, míjn leven. Maar het zat me dwars dat ik niet op zijn begrafenis was geweest en hem nooit iets heb kunnen zeggen.” Maar door te spelen had hij iets van zichzelf geofferd ten gunste van zijn vader. Zijn woede en verdriet hadden die avond geen plek gevonden.

Pas in de laatste jaren voor zijn eigen dood kreeg hij meer begrip voor zijn vader. En voor zijn moeder, die een even pijnlijke familiegeschiedenis had. „Mijn ma en pa waren beiden gedurende hun tienerjaren door hun vaders afgetuigd,” schreef Jeff in zijn dagboek. „Ontsnap, ontsnap, ontsnap, ontsnap, ontsnap, ontsnap lieve Timothy en Mary.”

29 mei 1997

Inmiddels is me duidelijk geworden dat het gedenkbankje bij de Wolf River Harbor al een paar jaar terug is verwijderd – ik ben weer eens op spokenjacht geweest.

Ik ben teruggekeerd naar de rivier, waar langs de oever een festivalterrein wordt opgetrokken ten behoeve van het WK barbecue. Paviljoens worden uitgerust met post-apocalyptisch kookgerei en banieren voor The Usual Saucepects en Natural Born Grillers.

Wat gebeurde er precies, die 29ste mei 1997?

Na een aantal maanden was het tijd voor een opnamesessie. Tourmanager Gene Bowen was de band in een busje vooruitgegaan, samen met kapper en wannabe-songwriter Keith Foti. Het idee was dat de bandleden in North Rembert Street zouden logeren; matrassen moesten worden aangerukt. Bowen vond dat Jeff niet zozeer veranderd was, maar verhevigd. Magerder en wispelturiger. Jeff zelf, daarentegen, had zich in North Rembert Street zo goed gevoeld dat hij Bowen opdracht gaf te informeren of de shack te koop was.

Terwijl Bowen dingen regelde, ging Jeff er met Foti op uit. Het idee was dat ze bij de repetitieruimte langs zouden gaan, maar na een uur rijden hadden ze de locatie nog niet gevonden. Jeff belde naar Barristers – misschien dat ze daar het adres kenden. Er werd niet opgenomen, en toen ze bij Barristers langsgingen, bleek de club gesloten. Dus reden ze verder, Jefferson Avenue af, en bereikten zo het Welcome Center bij de Wolf River. Bij gebrek aan een beter plan parkeerde Foti het busje. Ze zouden wat tijd stukslaan aan de oever met Foti’s boombox en gitaar.

‘Kom uit dat fucking water!’ De golven sloegen op de oever en toen hij weer keek, was Jeff verdwenen

De hemel kleurde rood, toen sepia. Foti zat te pingelen op zijn gitaar, Jeff besloot met kleren aan een stukje te gaan zwemmen. Dat leek Foti een slecht idee, maar Jeff banjerde het water in, draaide zich op zijn rug en dreef weg van Cobblestone Landing. In de serene avond klonk loepzuiver zijn stem. ‘You need cooling / Baby, I’m not fooling / I’m gonna send ya / Back to schooling…’ Led Zeppelin.

Het water was warm en roerloos, maar dat was oppervlakteschijn – de samenkomst van de Wolf River en de Mississippi zorgde voor een koude onderstroom. En dan waren er nog de sleep- en duwboten, de aken vol graan en cement.

De Wolf River bij Memphis, de plaats waar Jeff Buckley verdronk in mei 1997, lijkt roerloos. Dat was oppervlakteschijn. Foto Bob Bronshoff/ Hollandse Hoogte

Foti zag eerst de sleepboot. Hij riep. Jeff lag al een kwartier te dobberen – zijn kleren waren zwaar geworden. De sleepboot kwam, passeerde en Jeff was er nog, dansend op de golven. Maar toen volgde een binnenvaartschip. Foti riep: „Kom uit dat fucking water!” De hekgolven sloegen op de oever en hij haastte zich om zijn boombox in veiligheid te brengen. Toen hij weer keek, was Jeff verdwenen.

In de dagen die volgden werd een zoektocht op touw gezet – duikers doorzochten vergeefs het troebele water. Vrienden en familie vlogen in en verzamelden zich in Rembert Street.

„Woensdag 4 juni, om 20 voor 5 ’s middags”, schrijft David Browne in Dream Brother, ‘liet een passagier van het rivierschip de American Queen twee bemanningsleden weten dat er iets tussen Mud Island en de oever van de Mississippi leek te drijven. De bemanningsleden gebruikten een reddingssloep om dichterbij te komen en ontdekten een lichaam dat gevangen was in een werveling van takken en rivierplanten.’ Het was een bijna té pregnant beeld; deels verwurging, deels mummificatie. Zo werd Jeffs opgezwollen lichaam na zes dagen aan wal gebracht. Hij had slechts een paar honderd meter afgelegd.

En het is hier, vlakbij het begin van Beale Street, dat het gedenkbankje moet hebben gestaan. Maar álle bankjes blijken te zijn verdwenen, met achterlating van de betonnen platen waarop ze gerust hebben. Er is niks meer te vinden, behalve wat ik zelf hebt meegebracht aan gedachten en herinneringen. Ik buig nog één keer naar Wolf River en loop terug naar de auto, hunkerend naar het ruime sop van het Amerikaanse asfalt.