Recensie

Willem Kloos: houten klaas en letterknecht

Willem Kloos

In deze mooie biografie is dichter Kloos geen God en ook geen homo meer.

Willem Kloos in 1929 (1859 - 1938) Foto HH/Spaarnestad

Dichter en tijdschriftredacteur Willem Kloos (1859-1938) mag zich postuum in warme aandacht verheugen. In 2012 verscheen Bart Slijpers Dit gevreesd gemis. Een hier en daar nogal week boek dat zich voornamelijk richt op de innige vriendschappen van Kloos met zijn jongere dichtbroeders Jacques Perk (1859-1881) en Albert Verwey (1865-1937), maar biografisch mag je het zeker noemen. Nu is er O God, waarom schijnt de zon nog!, een biografie van Peter Janzen en Frans Oerlemans, begeleid door een heruitgave van Kloos’ geruchtmakende eerste bundel Verzen (1894).

In het Nederlandse literaire landschap ontstonden rond 1880 twee centra van vernieuwing: Den Haag en Amsterdam. In de hofstad brak letterkundige Jan ten Brink los in een vurige propaganda voor het naturalistische proza van Emile Zola, al had hij bezwaar tegen diens ‘onzedelijkheid’. Auteur en tijdschrift-redacteur J. Vosmaer toonde zich ontvankelijk voor meer esthetiek in de letteren, Marcellus Emants kwam met zijn vrijmoedige variatie op het Adam en Eva-verhaal in het omvangrijke gedicht Lilith (1879). In Amsterdam staat een iets jongere generatie schrijvers en dichters op die we de Tachtigers zijn gaan noemen, vanaf 1885 min of meer verzameld in een eigen tijdschrift, De Nieuwe Gids.

In dit tijdschrift zou je Willem Kloos zowel een Godvormige aan- als afwezigheid kunnen noemen. Een vulkanische persoonlijkheid, oudtestamentisch in zijn uitbarstingen – uitgegoten toornfiolen, kamikazeachtig liefdesvuur, soms beide tegelijk – die herhaaldelijk aan zijn eigen vlammen ten onder dreigde te gaan.

Janzen en Oerlemans geven een bijzonder indringend beeld van de vele crises die Kloos tot de rand van de afgrond voerden, tot en met opname in krankzinnigenklinieken en elektroshocks. Drank, delirium, stemmen horen, afgewisseld met dichtexplosies en opmerkelijk toegewijd en nuchter redactiewerk. Goed dat beide biografen ook dit laatste niet onbelicht laten: Kloos als drijvende kracht achter De Nieuwe Gids, als letterknecht die smeekt en bidt om nieuwe kopij.

Liefdesverklaringen

Bart Slijper legde in Dit gevreesd gemis veel nadruk op de homo-erotische aspecten in Kloos’ vriendschappen met Perk en Verwey. De gevoelsuitstortingen in de overgeleverde correspondentie geeft daar ook wel aanleiding toe. Beide nieuwe biografen maken er niettemin korte metten mee, door de schriftelijke liefdesverklaringen als contemporaine stijlfiguren te beschouwen en Lodewijk van Deyssel te citeren: ‘Ik geloof niet aan iets androgyne of pederastische betrekking tusschen hen.’ Ze volgen Kloos’ ook bij zijn vele stappen op het liefdespad naar vrouw en huwelijk. Mooie scènes: de god der Tachtigers als houten klaas.

Een biografie over Willem Kloos is tevens een levensbeschrijving van De Nieuwe Gids, het blad dat net als de man die er zijn ziel en zaligheid aan verbond, hoge ups en diepe downs beleefde. Het is geen kleine opgave om de vaak gecompliceerde en altijd persoonlijke conflicten tussen Kloos en zijn mederedacteuren en medewerkers te beschrijven zonder het zicht op de biografische hoofdpersoon te verliezen, maar Janzen en Oerlemans slagen daar wonderwel in. Een mooi voorbeeld is de verstandhouding met psychiater/schrijver Frederik van Eeden, die vriend Kloos verpleegde, maar als mederedacteur schijnheiligheid aan de dag legde en hem enkele keren ‘flink verneukte’.

Kloos’ vriendschappen met poëtische mindermannen ( Perk, Verwey in zijn jongensjaren, de dichter Hein Boeken en het ongerichte projectiel Pet Tideman) worden bijzonder overtuigend neergezet. En naast dat alles is deze biografie ook nog eens leuk en levendig geschreven. Een prachtig boek. Wat wil je nog meer?

Ik noemde Kloos’ plaats in De Nieuwe Gids-geschiedenis ‘zowel een Godvormige aan- als afwezigheid’. Lodewijk van Deyssel schreef: ‘Als Kloos zegt: ik ben de God op aarde, de Nooit-Gekende, dan heeft hij werkelijk het gevoel boven iedereen verheven te zijn.’ Toch moeten we Kloos’ eigen woorden ‘Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten’ niet heel letterlijk nemen, zo menen Janzen en Oerlemans. Hun conclusie lijkt gerechtvaardigd: het waren eerder anderen die zijn grootheid opbombardeerden tot mythische proporties. Zo komen ook de late, jarenlange pogingen van Kloos’ wederhelft Jeanne Reyneke van Stuwe om haar Willem de Nobelprijs te bezorgen flink overspannen over. Kloos had weliswaar een flink oeuvre geproduceerd, maar het niveau van zijn eerste verzenbundel uit 1894 heeft hij nooit meer gehaald en zijn kritieken waren hun aanvankelijke scherpte al decennialang kwijt. Goedbeschouwd heeft Willem Kloos als poëet één bundel voortgebracht, met een flink aantal grootse gedichten die tot ons literaire erfgoed zijn gaan behoren. ‘Ik ween om bloemen in den knop gebroken’, wie kent die regel niet? En ook voor de tegenwoordige lezer bevat Verzen nog steeds vele onvergetelijke sonnetten.

Gelukkig hebben beide biografen als bezorgers van Kloos’ Verzen de bundel integraal herdrukt, met inbegrip van een groot aantal scheldsonnetten. Poëtisch misschien iets minder groots, maar wel heel erg leuk. In een van de vele dips van hun vriendschap kreeg Frederik van Eeden de volgende regels voor de kiezen: ‘O Gij, verkrachter van veel vrouwen-zielen/ Die gij, Ellendeling, wildet, wellicht kondt/ Verknoeien’. Van Eeden wist als psychiater waar het vandaan kwam, maar hij zal vast even hebben moeten slikken.