Theater DeLaMar zoekt oplossing voor jaarlijks verlies

Theater

Het DeLaMar Theater is niet rendabel en dus moet de VandenEnde Foundation als eigenaar jaarlijks geld bijstorten. Samenwerken met Stage Entertainment moet dat gaan voorkomen. Maar dat lijkt strijdig met een convenant met de gemeente Amsterdam.

Foyer DeLaMar Theater. Foto Leo van Velzen

Doorbreekt de Van denEnde Foundation een convenant dat het in 2004 heeft gesloten met de gemeente Amsterdam? Daar lijkt het op het eerste gezicht wel op met de intensivering van de samenwerking die het DeLaMar Theater en musicalproductiebedrijf Stage Entertainment eerder deze maand bekendmaakten.

In een persbericht kondigde Stage Entertainment en het DeLaMar aan dat Stage Entertainment de rechten van vernieuwende, spraakmakende en op Broadway en West End succesvolle musicals zal aankopen en deze zal produceren voor de Grote Zaal van DeLaMar. De directie van DeLaMar zal voortaan samen met directeur Albert Verlinde van Stage Entertainment Nederland over de programmering van die Grote Zaal beslissen.

Dat is precies waar veel vrije producenten ruim tien jaar geleden bang voor waren, toen het Nieuwe De La Mar, hun belangrijke speelplek in Amsterdam voor cabaret- en toneelvoorstellingen, door de gemeente Amsterdam aan de VandenEndeFoundation werd overgedragen. De gemeente had destijds geen geld om de gebouwen te renoveren en wilde van ze af. De deal met de filantropische cultuurstichting van Joop en Janine van den Ende was een uitkomst om een theater in het centrum te behouden.

Het DeLaMar moest niet het derde musicaltheater (naast het Circustheater in Scheveningen en het Beatrix Theater in Utrecht) worden van Stage Entertainment. Het nieuwe theater zou moeten zorgen voor een gevarieerd aanbod. De de VandenEnde Foundation betaalde de 60 miljoen euro die nodig waren voor het nieuwe theater.

Kritische Kunstraad

Om vrees weg te nemen bij theaterproducenten en een kritische Kunstraad werd in 2004 een convenant opgesteld onder leiding van Eberhard van der Laan, toen nog advocaat. Daarin staat uitdrukkelijk: „De theaterproducties van de commerciële bedrijven van Stage Holding gevestigd in Amsterdam, worden in het theater niet geprivilegieerd.”

Bij sommige producenten ontstond in de afgelopen weken de vrees dat die afspraak is vergeten en er de komende jaren minder plek zal zijn voor hun producties als zowel de musicals van Stage (waarvan Van den Ende in 2015 zestig procent van zijn aandelen verkocht aan investeringsmaatschappij CVC) als eigen voorstellingen van DeLaMar voorrang zouden krijgen. De vrije theaterproducenten hebben DeLaMar hard nodig om hun producties in het centrum van Amsterdam te kunnen tonen. De Stadsschouwburg programmeert grotendeels gesubsidieerd theater en met de voorgenomen fusie met Toneelgroep Amsterdam zal dat eerder meer dan minder worden.

Maar DeLaMar kan niet langer zonder de theaterproducties van Stage, stelt Ryclef Rienstra, directeur van de VandenEndeFoundation. „We willen hiermee voorkomen dat de VandenEnde Foundation elk jaar veel meer moet bijdragen dan de 1 miljoen euro voor de programmering die is afgesproken in het convenant”.

Het DeLaMar draaide sinds de opening in 2010 namelijk - anders dan veelal wordt aangenomen - de meeste jaren verlies, maakt hij duidelijk. „We hebben in de eerste zeven jaar moeten vaststellen dat we de Grote Zaal alleen met een enkele cabaretier als Ronald Goedemondt en met de producties van Stage rendabel krijgen. Alleen in de jaren dat de Hazesmusical Hij gelooft in mijspeelde, heeft het theater geld opgeleverd. We hebben ons op onze strategie moeten beraden.”

Rienstra wijst daarom op een andere bepaling in het convenant dat „bij ingrijpende wijzigingen van (markt-)omstandigheden” in overleg andere oplossingen kunnen worden gevonden. „Het consumentengedrag is nogal veranderd sinds het convenant.”

Overigens geeft de gemeente desgevraagd aan dat ze voor het persbericht nog niet op de hoogte was van de intensivering van de samenwerking tussen Stage en het DeLaMar. Rienstra geeft aan dat er binnenkort een gesprek is gepland met cultuurwethouder Kajsa Ollongren (D66).

Grote zaal Delamar Theater. Foto Leo van Velzen NrcHb.

Volgens Rienstra hoeven de vrije producenten zich geen zorgen te maken om hun speelplek. Zij maken zelden producties die geschikt zijn voor de Grote Zaal (950 stoelen). Voor de kleinere Mary Dresselhuyszaal (650 stoelen) is de situatie volgens hem heel anders. „Wij gaan met DeLaMar Producties zelf minder voorstellingen maken. De eigen producties zijn kostbaar gebleken en leverden niet altijd het langdurige succes op dat we nastreefden.”

De afgelopen jaren produceerde DeLaMar onder andere een serie voorstellingen met Tjitske Reidinga. „Waarschijnlijk produceren we na komend seizoen alleen nog maar samen met de vijf theaters waarmee we samenwerken in de Theateralliantie. Daardoor blijven er genoeg mogelijkheden over voor andere producenten.”