Rutte wil geen witte Nederlander zijn

Turkse Nederlanders debatteerden met premier Rutte over zijn pleur-op-houding. Kan hij niet eens emotioneel leiderschap tonen?

In het tv-programma Zomergasten afgelopen zomer maakte de minister-president Rutte zijn “pleur op” opmerking die veel teweeg bracht. Mark Rutte in Zomergasten (VPRO)

De relatie tussen de minister-president Mark Rutte en de Turkse Nederlanders is een moeilijke. Rutte vindt Turks-Nederlandse jongeren die zwaaien met vlaggen op de Erasmusbrug „heel ongemakkelijk”. En over Turks Nederlandse jongeren die een cameraman lastig vielen, zei hij „pleur op”.

Om die kwesties te bespreken ging Rutte woensdagavond naar pakhuis De Zwijger in Amsterdam: om te debatteren met Turkse Nederlanders. Niet met de jongens die indertijd de cameraman lastig vielen, maar met Turkse Nederlanders die hun plek in Nederland gevonden hebben: publicist Cemil Yilmaz, advocaat Ülgü Ögüt, leraar maatschappijleer en columnist Halil Karaaslan.

Het was een mild debat, waarin Rutte niet het vuur aan de schenen kreeg gelegd. Over veel kwesties was Rutte het zelfs helemaal met zijn tafelgenoten eens. Het zou niet moeten uitmaken of je Mohammed of Mark heet, maar het máákt wel uit, gaf Rutte toe. „Ik kan discriminatie niet met een toverstokje wegnemen.” Maar, voegde hij eraan toe, „áls je dan te maken krijgt met discriminatie, gooi dan je kop in de wind en ga door.”

Invechten

Zijn gesprekspartners zijn het enerzijds met hem eens. Het is precies wat zij altijd deden en daarom zitten ze nu ook met de premier aan één tafel. Maar toch vindt docent maatschappijleer Halil Karaaslan de houding van Rutte iets te makkelijk. Net als de opmerking die de premier eerder maakte over nieuwkomers die zich moeten „invechten”.

Kijk, zei hij tegen Rutte, van mijn ouders kreeg ik dezelfde boodschap. Zij vonden ook dat ik me moest invechten. „Mijn ouders en de premier zullen het vast goed hebben bedoeld, maar ik ga dat niet zeggen tegen kinderen en niet tegen mijn leerlingen. Het is geen boodschap van gelijkwaardigheid.”

Maar zo heb ik dat niet bedoeld, reageerde Rutte onmiddellijk. Volgens hem kunnen we van het verleden leren dat élke grote groep nieuwelingen die naar Nederland komt, het moeilijk krijgt. Ze worden gediscrimineerd, zei hij, maar als ze niet bij de pakken gaan neerzitten, dan komt het goed. „Dát bedoelde ik met invechten.”

Het is wel duidelijk: niet laten kisten, doorgaan, dát is de essentie van Rutte’s boodschap. En dat overtuigt zijn Turks-Nederlandse gesprekspartners totaal niet. Natuurlijk moet je je kansen grijpen. Maar ze missen bij hem het gevóel, de emotie. Want Nederlandse jongeren met een Turkse of Marokkaanse achtergrond lijden niet alleen onder discriminatie en stigmatisering, ze voelen zich ook tweederangsburger. Waarom krijgen zij, Turkse Nederlanders, nooit vragen over een gestrande Nederlandse formatie? Nee, zij worden voortdurend ondervraagd over het gedrag van Erdogan? Wat kan Rutte daar dan aan doen?

Individu

De premier kan er kort over zijn: „Niets”. Rutte snapt dat het een vervelend antwoord is, maar wat kán hij doen? Beleid maken is niet het antwoord op zo’n vraag, zegt hij.

Persoonlijk vindt hij het heel vervelend om mensen aan te spreken als groep. „Dan spreek je ze aan op één aspect. Ze zijn zoveel meer. Iedereen in dit land is een individu.”

Als je tot de Turkse gemeenschap behoort, dan word je niet als individu beschouwd.

Advocate Ülgü Ögüt: „Als je tot de Turkse gemeenschap behoort dan word je niet als individu beschouwd. Er hoeft maar één vlogger te treiteren en we zijn allemaal verantwoordelijk.”

Publicist Cemil Yilmaz: „Wat gaat u daaraan doen als witte Nederlander?”

Rutte: „Ik voel me daar niet bij horen.”

Yilmaz: „Nee, maar veel anderen worden wel als groep aangesproken. Maar ik vraag het anders: Wat kunt u daaraan doen als VVD’er?”

Als politicus kan je in dit soort kwesties beter normeren, vindt Rutte. Zoals hij deed toen er discussie was over het aannemen van Marokkaanse Nederlandse jongetjes na wangedrag van jongens van Marokkaanse afkomst op voetbalclubs. Rutte: „Dat kan dus niet. Komt daar zo’n Marokkaans jongetje aan dribbelen en die mag dan niet voetballen omdat zijn ouders Marokkaans zijn?”

Halil Karaaslan is nog niet overtuigd. Hij legt de vinger op de zere plek: discriminatie, uitsluiting, het gevoel een tweederangsburger te zijn, laten zich niet met rationele argumenten wegwerken. „We hebben emotionele oplossingen nodig. Ik verwacht emotioneel leiderschap.”

Voor het eerst is Rutte even stil. Dan zegt hij: „Het leven is een grote kans om feedback te krijgen.” Met andere woorden: Hij gaat er over nadenken.


Kijk op 3:12 de “pleur op” opmerking van minister-president Rutte terug.