Opinie

Het Groot Dictee wakkerde nooit liefde voor de taal aan

Het Groot Dictee presenteerde spelling als examen dat niet te halen viel, schrijven oud-deelnemers Pepijn Hendriks en Wouter van Wingerden. Jammer, want de Nederlandse taal verdient beter.

Foto Bas Czerwinski/ANP

Het Groot Dictee der Nederlandse taal was 27 jaar lang een licht masochistisch decemberritueel. Schrijfblok bij de hand, pen in de aanslag, en onder aanvoering van Philip Freriks werd een moeilijkewoordenbrij over de kijkers uitgestort. Kladderadatsch, geüpgraded, oe’s en a’s, przewalskipaarden; het was allemaal bepaald geen jip-en-janneketaal.

Steeds minder kijkers genoten van die zelfkastijding; 368.000 waren het er vorig jaar nog, in Nederland tenminste. De overige miljoenen potentiële kijkers hadden zich al afgewend van dit icoon.

Want dat is het zeker: zodra er iets over het Nederlands te berichten valt, is de kans groot dat je een foto van een Eerste Kamer vol zwoegende dicteeschrijvers ziet opduiken, of anders wel van het Groene Boekje.

Spelling bepaalt dus voor een belangrijk deel ons beeld van de Nederlandse taal. En dat terwijl spelling slechts een onderdeel – en op de keper beschouwd een randverschijnsel – van taal is. De spelling van het Nederlands is in feite niet meer dan een stelsel van afspraken over hoe we de taal op schrift stellen.

Wie taal nodig heeft voor zijn beroep (of er gewoon lol in heeft) probeert die regels te doorgronden, zodat hij er gevoel voor krijgt en ermee kan jongleren. Wie zich niet voorbereidt op een dictee zal het niet winnen, zoals een advocaat die de relevante wetten en jurisprudentie niet onder de knie heeft een rechtszaak niet naar zijn hand zal kunnen zetten.

De hoofdlijnen van onze spelling zijn niet eens zo ingewikkeld. De belangrijkste regel is zelfs: schrijf op wat je hoort. Natuurlijk, er zijn tal van uitzonderingen en subregels. Maar bij twijfel kan iedereen heel makkelijk opzoeken hoe je een woord spelt, gratis en online. In de praktijk wordt niemand afgerekend op de vraag of hij weet hoe je brougham, krambamboeli of kasuaris schrijft. En dat je de kop van Jut kunt zijn, maar op de kermis op de kop-van-jut slaat, is een weetje dat weinig mensen verder brengt in het leven.

Het tv-format van Het Groot Dictee der Nederlandse taal wekte onbedoeld een tegenovergestelde indruk. De jaarlijkse kwelling droeg bij aan het beeld van spelling als examen dat niet te halen viel. Alleen de geoefendste spelers van het spel konden meekomen. De rest haakte moedeloos af, in hun gevoel gesterkt door schoolmeesterig abracadabra van de jury en door deelnemende BN’ers die keer op keer zeiden dat de moed hun bij een blik in het Groene Boekje in de schoenen was gezonken, of dat de spelling ‘toch steeds verandert’.

Hoe leuk het als spel voor de liefhebber ook kon zijn, het dictee versterkte de neiging van veel mensen om bij taal direct aan spelling te denken. Het ‘moeilijke’ imago van spelling straalde negatief af op het beeld dat mensen van het Nederlands hebben. Zonde, want onze taal is – net als andere talen – een onuitputtelijke bron van fascinatie en vermaak. De rijkdom van het Nederlands bestaat onafhankelijk van welke spellingregel dan ook.

Begrijp ons niet verkeerd: we zijn gek op spelling en we zijn dol op het Groot Dictee. Maar we houden vooral van taal. Als het dictee de liefde van het grote publiek voor het Nederlands in de weg zit, is het beter om die op andere manieren aan te wakkeren. Daarvan zijn al voorbeelden te over, zoals de schitterende Atlas van de Nederlandse taal, die eerder deze maand verscheen.

Misschien is het dus niet zo erg dat het dictee sneuvelt, in elk geval in zijn huidige vorm – al hadden we het een waardiger afscheid gegund. Hopelijk krijgen we voor het dictee een taalprogramma in de plaats dat mensen niet wegjaagt, maar aantrekt, en échte taalliefhebbers van ze maakt. Het zou prachtig zijn als een opvolger van Het Groot Dictee der Nederlandse Taal net zo’n iconische status kan bereiken.