Recensie

De vakbond dood? Welnee!

Vakbondswerk

Met bewondering en ook met kritiek beschrijft Menno Tamminga de geschiedenis van de Nederlandse vakbonden in de afgelopen twintig jaar.

FNV-voorzitter Wim Kok bij een demonstratie op de Dam, Amsterdam, 1980 F oto ANP

Iedere maatschappelijke beweging wenst zich een liefdevolle geschiedenis zoals Menno Tamminga die schreef over de vakbond. In tien zeer leesbare hoofdstukken brengt hij de afgelopen twee decennia bondswerk in beeld. Mensen als Lodewijk de Waal, Agnes Jongerius, Henk van der Kolk en Ron Meyer komen voorbij, tijdens nachtenlange onderhandelingen, ludieke acties, stakingen of op een volgestroomd Malieveld of Museumplein. Intrinsiek gemotiveerde types, soms wat hoekig, maar geen baantjesjagers. Eind jaren negentig worden die bondsbonzen nog regelmatig gelauwerd, wegens het poldermodel.

Maar NRC-redacteur Tamminga is in De vuist van de vakbond ook kritisch. Zo vindt hij dat de vakbond er regelmatig een zootje van maakte. Men liet zich in slaap wiegen. Door de welvaart van de jaren negentig, met beursrendementen die mooie pensioenen gaven. Door hedgefunds, die om dat pensioen verder op te krikken Stork of V&D in stukjes hakten en de werknemers op straat keilden. Men vocht om de haverklap interne ruzies uit. En ondertussen bleven de ledentallen dalen. Want boze gasten met hesjes en fluitjes zijn niet cool.

Doeners, geen denkers

Vandaar dat mensen op verjaardagsfeestjes graag het cliché herhalen dat de bond dood is. Tamminga laat zien dat een strijdorganisatie als de vakbeweging per definitie moeite heeft met verandering. Het zijn immers doeners, geen denkers. En wanneer de PVV claimt namens ‘heel Nederland’ te spreken, knikt het talkshowende deel van de natie instemmend. Je zou de tijdgeest eens missen. Maar FNV en CNV hebben meer leden dan Wilders stemmers. En de bevolking mag de politiek steeds meer wantrouwen, de vakbeweging krijgt nog altijd het volste vertrouwen. Dus dood, nou nee.

Maar goed gaat het evenmin. Tamminga wijst behalve de tijdgeest nog twee krachten aan die de vakbeweging onder druk zetten. Doordat we meer alleen of in losse verbanden werken, heeft traditionele collectieve actie minder zin. Een stakende zzp’er is vooral een werkloze zzp’er. En de industrie van kolen, staal en andere tastbare spullen is vervangen door dienstverlening en een industrie van financiële (wan)producten. Veel banken en weinig fabrieken – dat vakbondt niet lekker. De poort om spandoeken aan te knopen verdwijnt.

Je verschuilen achter onvermijdelijke trends als individualisering en internationalisering, welke ploeterende sociale beweging wil het niet? Maar de bond zou wat best meer naar zichzelf mogen kijken, meent Tamminga. Aanhoudende loonmatiging is misschien wel vragen om problemen. Zelfs Klaas Knot, president van De Nederlandsche Bank, zegt dat de salarissen te laag zijn. En vanuit koopkrachtperspectief is dat fameuze poldermodel mede dankzij de vakbond ontaard in meer winst voor ondernemingen, minder overheidsschuld en meer particuliere schulden, in de ogen van financieel geograaf Ewald Engelen.

Harde actie

Vraagt dat om meer harde actie? In een ‘wat ik zou doen als ik voorzitter was’-epiloog kiest Tamminga niet voor de dokken-of-knokken-strategie. Radicalisering betekent het einde van het poldermodel. En dat is niet alleen het podium voor het gesprek over inkomen, maar ook over sociale voorzieningen, integratie van minderheden of internationale concurrentie. Je wint misschien wat geld voor je directe achterban, maar je verliest vermoedelijk macht over de samenleving. Wie uit de polder vertrekt komt in Amerika aan.

Tamminga ziet meer heil in het aanpassen van de bond aan de maatschappij. Door het bieden van extra’s aan leden, zodat de krimp stopt. De cao krijgen niet-leden immers ook. Geef leden eerder recht op een vaste baan of meer recht op scholing. Stop met lange congressen en steek meer tijd in organising, broodfondsen of andere vernieuwende actiemethoden. En kom niet op voor banen maar voor mensen, want veel mensen hebben nu eenmaal geen ‘echte’ baan. Het gaat tenslotte om de kwaliteit van het werk, die er nu bekaaid vanaf komt.

De bond die Tamminga beschrijft draait eerder op inzet voor het algemeen belang, dan op brood en boter voor werknemers. Dat maakt kwetsbaar. Zolang de internationalisering van de economie onvermijdelijk heet en de overheidsbegroting per definitie omlaag moet, zijn werkenden eerder dienstbaar aan het algemeen belang dan omgekeerd. Dat bleek bij het meedenken over de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Misschien wel onvermijdelijk voor de bond, maar niet profijtelijk voor de achterban. Die omzichtige omgang met eigenbelang is geen exclusief probleem van de vakbeweging, maar ook te zien in de bereidheid van de PvdA om de crisis aan te pakken. Het maakte de PvdA populair in Wassenaar, waar men vervolgens anders stemde.

Tamminga is er dan ook niet gerust op dat de bond niet nog meer invloed inlevert. Hij eindigt met de terughoudende voorspelling, dat ‘de komende jaren beslissend zullen zijn’.