Olielanden houden productie laag, om de prijs op te voeren

Olie

De OPEC-landen en andere olieproducenten verlengen hun deal om de olieproductie laag te houden. Doen ze dat niet, dan zal de olieprijs weer dalen, vrezen ze.

Foto Joe Klamar/AFP

Geen nieuwe beperkingen, wel verlenging van de bestaande beperking van de olieproductie met 1,8 miljoen vaten per dag, met negen maanden, tot maart 2018. De olielanden – niet alleen OPEC maar ook Rusland en negen andere landen buiten het kartel – vonden zich donderdag uiteindelijk in een compromis dat volgens de olieminister van Saoedi-Arabië, Khalid Al-Falih een hele veilige manier is „to do the trick”.

Welke truc? Minder olie produceren zodat er meer olie moet worden aangesproken uit de enorme voorraden die zich de afgelopen jaren hebben opgehoopt, waardoor de olieprijs tot rond de 60 dollar moet worden opgestuwd.

Niet alle beleggers waren onder de indruk. Zodra de eerste berichten uit Wenen, waar de olielanden donderdag bijeen waren, naar buiten kwamen zakte de olieprijs weg. Als de eerste beperking, die loopt tot juni, het overaanbod niet wezenlijk kon verminderen, waarom zou een verlenging met negen maanden dat dan wel kunnen, was het sentiment. Te meer daar de Verenigde Staten, die niet meedoen aan de oliedeal, alleen maar meer gaan produceren, en landen als Libië en Nigeria, voor wie binnen de OPEC een uitzondering wordt gemaakt, ook steeds meer olie op de markt brengen.

Het was een keuze tussen twee kwaden. Geen verlenging van de huidige productiebeperking, die overigens verrassend goed is nageleefd, zou een nieuw bloedbad betekenen: door overaanbod opnieuw prijzen van onder de 30 dollar per , zoals begin vorig jaar. Een grotere productiebeperking, zoals sommige landen wilden, zou ook een negatief effect hebben op de begrotingen van de olielanden.

Bodem van 50 dollar

Een compromis dus. De beoogde 60 dollar per vat is nog ver uit zicht, een bodem van 50 dollar lijkt op dit moment het hoogst haalbare. De winnaars van de belangenstrijd zijn vooral Saoedi-Arabië en Rusland. Saoedi-Arabië omdat het volgend jaar een deel van het staatsoliebedrijf Aramco naar de beurs wil brengen en daarom baat heeft bij een stabiele olieprijs. Hoewel het om slechts 5 procent gaat, wordt het de grootste beursgang ooit met geschatte waarde van meer dan 2.000 miljard dollar.

Voor Rusland is een stabiele prijs van belang omdat daar volgend jaar een nieuwe president gekozen wordt. Met een olieprijs van minstens 50 dollar per vat vallen er aan de kiezers meer cadeautjes uit te delen, dan met een prijs van 30 dollar per vat.

Verliezers zijn de olielanden die veel hogere prijzen nodig hebben om hun begrotingen enigszins in evenwicht te brengen. Denk aan Venezuela dat, volgens persbureau Bloomberg, een prijs van 216 dollar per vat nodig heeft. Of Angola: 83 dollar per vat, en Ecuador : 78 dolllar.

De dramatische val van de olieprijs sinds 2014, toen een vat olie 115 dollar kostte en die een spoor van vernieling trok door de hele olie-industrie, was het gevolg van een machtsstrijd tussen de OPEC, vooral Saoedie-Arabië, en de Amerikaanse schalie-olieproducenten. Om het marktaandeel te behouden zette Saoedi-Arabië aanvankelijk de kraan wijd open, waardoor de prijzen kelderden. Het boren in schaliegesteente was duur en de lage olieprijs, uiteindelijk 27 dollar per vat, dwong de Amerikanen in eerste instantie inderdaad op de knieën. Maar inmiddels zijn de productiekosten in de VS fors naar beneden gebracht en komt er weer steeds meer Amerikaanse olie op de markt. Analisten verwachten dat de Amerikaanse productie in 2018 een hoogtepunt zal bereiken. Een nieuwe ronde in de machtsstrijd om het marktaandeel is een kwestie van tijd.