Cultuur

Interview

Interview

Foto Frank Ruiter

Jeroen Krabbé: ‘Ik ben een schilder die acteert’

Lunchinterview Acteur Jeroen Krabbé is opgevoed als een schilder door een schilder. „Ik put uit mijn jeugd en dat geef ik door”, zegt hij bij flatbread met zalm en twee flessen water.

Een zondagse lunch met Jeroen Krabbé (72), alle andere dagen van de week zit hij he-le-maal vol. Hij kiest het Conservatorium Hotel in Amsterdam; dezelfde plek waar ik ooit eerder lunchte met zijn middelste zoon Jasper, net als hij schilder. Jeroen Krabbé staat op van tafel en wandelt ter inspectie langs het lunchbuffet. Breed lachend keert hij terug. „Licht vegetarisch. Dat maakt nou niet het beest in me los.” Het wordt iets met zalm. En erbij water. Wel twee flessen.

Jeroen Krabbé’s schilderijen zijn vanaf deze week te zien in de bovenzaal van Museum de Fundatie in Zwolle. Het is – „…twee, drie…” – zijn vijfde tentoonstelling daar sinds 2008. Het heeft hem járen gekost, zegt hij, voor hij dat durfde, exposeren in Nederland. Ja, in zijn Londense galerie had hij vijfentwintig jaar geleden al de ene na de andere tentoonstelling, en altijd alles tot het laatste schilderij toe verkocht. Maar in Nederland bleef hij „de acteur die ook zo nodig moest schilderen”. En voor alle duidelijkheid: dat klopt dus niet. Hij is een schilder die acteert. Alleen is hij pas gaan schilderen toen hij al lang en breed succesvol was als acteur. Hij was bijna 30, brak net door met Soldaat van Oranje en toen ging hij naar de kunstacademie. „Mijn film- en televisiewerk ging gewoon door, maar in Engeland wist niemand dat. Ik had de galeriehouder op het hart gedrukt de focus niet op mijn acteren te leggen, maar op mijn kunst.” Tot er op een goed moment twee films van hem in Londen in première gingen. Twee grote films, met een hoop publiciteit eromheen. „Toen ontdekte men daar dat ik ook nog acteur was.” Maar die ‘ontmaskering’ heeft hem niet geschaad, zegt hij. „In het buitenland werkt het totaal anders. Daar is het een pre als je ook nog iets anders kan.”

Al die vooroordelen

Bij de aller- allereerste expositie die hij in Nederland kreeg, begin jaren tachtig in het Singer Museum in Laren, stelde hij de voorwaarde dat zijn schilderijen tentoongesteld zouden worden mét die van zijn vader Maarten, en die van zijn grootvader Heinrich Martin Krabbé. „Dan konden de mensen zien waar ik vandaan kom. De traditie waarin ik ben opgegroeid.” Zijn voorouders als legitimatie. „Maar toch… maar toch… al die vooroordelen…” Hij schudt de gedachte van zich af. Feit is dat Ralph Keuning, directeur van Museum de Fundatie, het tien jaar geleden met hem heeft aangedurfd. „En alleen daarom al blijf ik hem trouw. Tot de dood erop volgt. Zo zit ik in elkaar.”

Ik ben trouw tot de dood erop volgt

Hij is, zegt hij, opgevoed als schilder door een schilder. Maarten – want zo noemde Krabbé zijn vader – was schilder „pur sang”. „Hij herkende mijn tekentalent. Mijn tekeningen hing hij aan de muur en dan besprak hij die met me. Hoe oud was ik? Drie? Vier, misschien. Samen bekeken we het perspectief, het kleurgebruik, de lijnen. Al mijn jeugdwerk heeft hij bewaard.” Maarten werd ook op school zijn tekenleraar „Op mijn zesde ging ik naar de eerste klas. De Kohnstammschool in Amsterdam-Zuid. Eerste week, eerste les tekenen. Ik kom thuis met mijn tekening. Helemaal trots. Had ik een boom getekend. Bruine stam met een dotje erbovenop. Gewoon, net als de andere kinderen. Razend was mijn vader. ‘God-ver-domme’. En: ‘Ik laat m’n kind niet verpesten.’ Hij naar school. Klagen bij de bovenmeester. Die zei: ‘Meneer Krabbé, als u het allemaal zo goed weet, waarom komt u dan niet hier lesgeven?’” Enfin, zo geschiedde. „Hij ontwikkelde een didactiek om de expressie van kinderen te ontwikkelen. Hij was heel goed met kinderen. Geduldig. Speels. Ik kom nu nog schoolgenoten tegen, zeventigers nu, die tegen me beginnen over de lessen van mijn vader.”

En omdat zijn vader ook zijn leraar was, kon hij vier dagen vrijaf van school regelen om Jeroen mee te nemen naar Parijs. Hij was 9. Voor een tientje de man met de vleeswagen van 17.00 uur vanuit Rotterdam. Aankomst om 5.00 de volgende ochtend bij de Hallen in Parijs. „We gingen naar het Louvre, het Musée d’Art Moderne. We aten uiensoep.” Samen bezochten ze het „heiligste heiligdom”: Le Bateau-Lavoir in Montmartre, het ateliercomplex waar begin 20ste eeuw de avant-garde samenkwam. In 1972 is het afgebrand, maar Jeroen Krabbé heeft mogen aanschouwen waar Pablo Picasso zijn Fernande schilderde. „Picasso was de grootste van allemaal. Dat vond mijn vader, en vind ik. Hij was de schilder die er zijn hele leven over heeft gedaan om als een kind te kunnen tekenen.”

Al die kennis die zijn vader in hem had „gepompt”, alles wat hij wist over schilders en hun techniek en wat al die tijd had liggen sluimeren in zijn hoofd, dat kwam allemaal boven toen hij het televisieprogramma Krabbé zoekt Van Gogh maakte. „Ik put uit mijn jeugd, en dat geef ik door.” De tweede serie, Krabbé zoekt Picasso, is net afgerond, de derde, over Gauguin, is in de maak. „Ik heb Breitner overwogen, ik werk nota bene in zijn voormalig atelier. Ik heb gedacht iets te maken over Piet Mondriaan…” Maar? „Mondriaan vind ik zo’n saaie man, zo hoekig, zo’n rechttoe rechtaan leven. Ik wil me vereenzelvigen met het leven van zo’n kunstenaar, met zijn gedachten, zijn passies, zijn techniek. Alleen zo kan ik begrijpen waarom hij maakte wat hij maakte.”

Het leven van Van Gogh, dat was drama, gekte. Picasso idem. „Die man is heel ingewikkeld. Héél ingewikkeld.” Bijna tachtig jaar heeft hij geschilderd en om de tien jaar veranderde hij compleet van koers. „Hij nam een nieuwe vrouw, een nieuw huis, nieuwe vrienden, een andere hond, hij ging anders eten en totáál anders schilderen.” Onaangename man, dat ook. „Als je leest wat zijn kinderen over hem zeggen, en zijn kleinkinderen. Verschrikkelijk.” Maar, wel „een genie”, verzucht hij. „Zo trefzeker, alsof hij het doek met een degen te lijf ging. Als je ziet wat hij gemaakt heeft, voel je je als schilder totaal overbodig.”

Laat het licht zien

Misschien, opper ik, moet je wel een onaangenaam mens zijn om een briljant kunstenaar te worden. En geen familieman zoals Krabbé die elk nieuw geboren kind in de misjpooche een schilderij cadeau doet van hun over- of betovergrootvader, afhankelijk van waar hij bij veilingen de hand op heeft kunnen leggen. „Een uur na de geboorte sta ik er”, zegt hij en lacht. „Daar ben ik heel dwingend in.” Voor hem niet elke tien jaar een nieuwe vrouw, maar al ruim een halve eeuw dezelfde.

Hij strijkt nu op een denkbeeldige viool. „Hoor je de strijkmuziek?” Hij gaat nu vertellen dat hij op z’n negende al verliefd was op Herma. „We logeerden ’s zomers in Bergen, in een pension.” Hij spreekt ’t op z’n Frans uit. ‘Pansion.’ Ze kruisten elkaar op de trap; zij naar beneden, hij naar boven. „Op onze kamer laat ik mijn moeders koffer neerploffen.” Zijn moeder („Greet”) vraagt wat er met hem aan de hand is. „Ik zeg: ‘Ik ben verliefd op dat meisje’.”

Wat hij toen nog niet doorhad, was dat zijn vader en moeder toen al gescheiden waren. „Dat ontdekte ik pas twee jaar later. Al die tijd was mijn vader ’s avonds naar zijn andere vrouw vertrokken, en dan kwam hij de volgende ochtend weer thuis.” Rommelig, noemt hij die periode zo rond zijn negende. „De jaren vijftig. Scheiden was een schande. Niemand op school had gescheiden ouders.” En, alsof hij hardop denkt: „Sta je nu op de schoolpleinen van de kinderen van Martijn en Jasper [zijn twee oudste zoons] dan is geen echtpaar nog bij elkaar.” Ook zijn zoons niet. Dat is, zegt hij, verschrikkelijk naar. „Vanuit grootvaderlijk perspectief vind ik het vooral erg voor de kinderen. Ik praat met hen als ervaringsdeskundige. Ik bedoel, ik ben 72, en weet het nóg. Maar, zeg ik tegen hen: het wordt wel beter als je ouder wordt.”

Vermoord in Sobibor

Zijn tentoonstelling in De Fundatie heet Het late licht. De betekenis is ambigu. Het slaat op het licht zoals het zich aan hem openbaarde in de bossen en velden rond Dalfsen, waar hij een vakantiehuis heeft. Maar hij bedoelt er ook mee te zeggen dat hij zelf laat het licht zag. Hij heeft zo’n beetje alle schilderstijlen wel beoefend. Realistisch, hyperrealistisch, impressionistisch, expressionistisch. Hij schilderde een enkel portret, maar meestal landschappen. Het late licht bestaat ook weer uit landschappen, maar voor het eerst schildert Jeroen Krabbé abstract. „Dat is niet bewust gegaan, ik ben het gewoon gaan proberen.” Of het gelukt is? Die vraag laat hij onbeantwoord. Zoals hij ook nog geen uitsluitsel gaf op de vraag of je een goed mens én een groot kunstenaar kunt zijn. Hij laat het oordeel aan de „inquisitie”. Herma, zijn vrouw en Jasper, zijn schilderszoon. Zij bekijken zijn werk vaak als eersten, op het atelier. „Als ze dan een kwart seconde te laat reageren, of ademhalen voor ze iets zeggen…”

Bij een van zijn vorige tentoonstellingen – met werk over zijn grootvader van moederskant die in Sobibor werd vermoord – vroeg hij Herma nog voor ze ook maar iets gezien had op te schrijven wat ze dacht dat hij gemaakt had, het papier in een envelop te doen en aan hem te geven. „ Ze bleek exact gevoeld te hebben waar ik mee bezig was.”

Hij schudt zijn hoofd. Veel meer vreest hij het oordeel van de pers. „Vooroordelen zijn zo moeilijk weg te nemen. Maar, ik merk, ik voel, het tij begint te keren. Of het kan me niks meer schelen wat men vindt, dat kan natuurlijk ook.”