De façade van de filmster

Laatst zag ik bij de BBC een documentaire over voormalige vrouwelijke filmsterren van wereldfaam: Joan Crawford, Doris Day, Debbie Reynolds, Natalie Wood, Lauren Bacall. Op Doris Day (nu 95!) na zijn ze allemaal dood. Het was een onderhoudende film met veel oude opnamen, interviewfragmenten en typerende anekdotes.

Doris Day, die intensief had samengewerkt met Rock Hudson, kreeg de vraag of ze nou nooit eens iets van Rocks homoseksualiteit had gemerkt. „Geen sprake van”, zei Day, „we waren echte vrienden, maar over zijn privéleven hebben we nooit gepraat”.

Natalie Wood vertelde hoe haar impresario haar bedroefd had opgebeld met de mededeling dat John Smith, toen een gerespecteerd acteur, niet haar tegenspeler kon zijn in een nieuwe film. Wie werd het dan wél, vroeg ze. „Ene James Dean”, was het antwoord.

Lauren Bacall bekende dat ze zichzelf nooit een schoonheid had gevonden. „Ik was niet lelijk, maar zeker niet mooi.” Als jonge vrouw was ze zelfs uitgesproken „flat-chested”. Toch was ze zwoel en sexy geweest, vond de interviewer. „Tja, maar hoe kun je dat als 17-jarige zijn zonder levenservaring?”, wierp ze tegen. „Het was de belichting, het werk van een regisseur als Howard Hawks.”

De leukste vrouw bleek Debbie Reynolds, die een vermakelijke imitatie deed van het Oost-Europese accent van de diva Zsa Zsa Gabor, en bijzonder onthecht sprak over de manier waarop Liz Taylor haar man Eddie Fisher wegkaapte.

Kortom, de documentaire was amusant, maar kwam niet verder dan de buitenkant van al die levens. Over de binnenkant bestaan allerlei biografieën en autobiografieën waarvan je nooit weet wat er precies waar is, maar die op zijn minst laten doorschemeren dat achter de façades veel loos was. En toch zijn die façades fascinerender dan alle verhalen over drank en mislukte huwelijken. De buitenkant is in zeker opzicht onthullender dan de binnenkant.

Daarom kon ik de verleiding niet weerstaan om in de ramsj het fotoboek Sid Avery – The Art of the Hollywood Snapshot te kopen. Van 1946 tot 1961 maakte Avery voor bekende bladen snapshots van beroemde filmsterren. Het zijn, technisch gesproken, vaak schitterende foto’s, maar Avery gedraagt zich als een hoffotograaf: hij ziet de sterren zoals ze gezien willen worden.

Dean Martin zoop en neukte zich suf, maar in dit boek mag hij, met de kids onder de schommel, de brave familieman uithangen. De foto’s van het huiselijk leven van Humphrey Bogart en Lauren Bacall (met de zoon en de honden voor de haard) zijn mierzoet en geven de sterren de koninklijke glans die ze kennelijk voor zichzelf opeisen.

Dat Anthony Perkins en Rock Hudson en mogelijk ook James Dean, Paul Newman en Marlon Brando worstelden met hun homo- of biseksualiteit, blijkt niet uit deze glamoureuze fotosessies die overstromen van geposeerde ongedwongenheid en geharnaste heteroseksualiteit.

Af en toe, zoals bij Perkins, valt het woord ‘eenzaamheid’, maar het blijft bij suggestie. Bij Sid Avery en in die BBC-documentaire is verder alles koek en ei. Doris Day heeft altijd de verkeerde minnaars gekozen, ze hebben haar opgelicht en verlaten, maar ze zal tot in haar graf blijven glimlachen, althans, zo lang de fotopers in de buurt is. En Frank Sinatra was een heer.