Column

We zijn de slaafjes van onze huizenmarkt

Oeh: het consumentenvertrouwen is gedaald. Het Centraal Bureau voor de Statistiek berichtte vorige week dat de indicator zakte van een waarde van 26 in maart naar 23 in april. Zijn we de piek voorbij? Zet er je geld niet op. Nog niet. Een vertrouwen van 23 is nog steeds torenhoog. In 1989 was het kortstondig hoger, rond de val van de Berlijnse Muur.

Tussen 1997 en 2001 was het vertrouwen eveneens hoger. Maar dat was een periode van uitzonderlijk hoge economische groei, ongebreideld techno-optimisme en een koersexplosie op de beurzen – de beste economische sprint sinds de jaren zeventig, die in sommige kringen nog altijd te boek staat als de Puinhopen van acht jaar Paars. En dan is er juni 2007. Eén maand, voor de crisis, dat het vertrouwen hoger was dan nu.

Tegenover de tijding van het consumentenvertrouwen staan bovendien nog steeds laaiend goede andere CBS-cijfers. Maandag nog bleek dat de industrie een omzetgroei boekt van meer dan tien procent. De investeringen stijgen met 12,3 procent op jaarbasis. De werkloosheid daalt met 8.000 mensen per maand en het percentage werklozen van de beroepsbevolking staat nu op 5,1 procent. Dat zal vermoedelijk nog veel verder afnemen, want het aantal openstaande vacatures steeg het afgelopen kwartaal met 13.000 tot 184.000.

De makelaars zijn intussen niet aan te slepen: toen de woningmarkt nog in mineur was, waren er nog 8.200. Dat zijn er nu 800 meer, een groei met tien procent. En dat brengt ons bij de woningmarkt, waar de prijzen in april met 7,3 procent stegen. Landelijk, want in de grote steden worden ruime, dubbele cijfers gehaald.

Zo vormt zich een beeld van de economie dat vertrouwd aan doet. Eind jaren negentig zweepten de consumptieve bestedingen en de woningprijzen elkaar op. In de eerste jaren van de nieuwe eeuw drukten ze elkaar naar beneden, om in de aanloop naar 2008 opnieuw haasje over te spelen naar boven. Tijdens de crisis duwden ze elkaar steeds verder de modder in. En nu zijn we getuige van een nieuwe hausse.

De samenhang tussen de consumptieve bestedingen van huishoudens en de woningprijzen is zeer hecht. Al vaker is gewezen op het vermogenseffect: als woningen duurder worden, voelen de eigenaren zich rijker, en zullen minder barrières ondervinden om te besteden. Andersom zullen dalende prijzen de bestedingen drukken.

Maar nu zitten we in de opwaartse lijn. Eén voorwaarde: om druk omhoog uit te blijven oefenen op de economische groei zullen de woningprijzen wel steeds sneller moeten stijgen. Op basis van de samenhang tussen huis en bestedingen mag, met enige voorzichtigheid, worden gezegd dat een kwart procentpunt van de economische groei vorig jaar op het conto kwam van het vermogenseffect uit de woningprijzen, die met 5 procent stegen, tegen 2,8 procent in 2014. Dat effect was ongeveer even groot in 2014.

Dit jaar is de stijging gemiddeld al 7 procent. Als dat zo blijft, komt er ook in 2017 een kwart procentpunt van de economische groei uit het vermogenseffect. En dan zijn er nog de investeringen in de woningmarkt zelf, waar bouwers, gemeenten en projectontwikkelaars de woestijn van de crisis definitief achter zich hebben gelaten.

Dat lijkt allemaal heel gunstig. En dat is het ook, zij het dat één aspect knaagt. We zijn in Nederland nog steeds, na alle pieken en dalen, slaafjes van de woningmarkt. Hij juicht ons naar boven, hij praat ons de put in. Maar, zeker zolang de huizenprijzen blijven stijgen, lijkt van een conjunctuuromslag voorlopig weinig sprake.

Menno Tamminga is afwezig.