Scorsese de macho

Scorseses mannen Filmmuseum EYE heeft een tentoonstelling over Scorsese. Hij is een echte mannenregisseur, betoogt recensent Dana Linssen.

De mannelijke personages van Scorsese handelen eerder uit wanhoop dan kwaadaardigheid zoals de ziekelijk jaloerse bokser Jake LaMotta (Robert De Niro).

Er is iets geks aan de hand met de mannen van Martin Scorsese. Geen filmregisseur drukte zo zijn stempel op de moderne mannelijkheid in de film. Probeer ze eens uit de filmgeschiedenis weg te denken: de verloren Vietnamveteraan Travis Bickle uit Taxi Driver, de ziekelijk jaloerse bokser Jake LaMotta uit Raging Bull, de egocentrische misdadigers uit Goodfellas, Gangs of New York of The Departed. Wat blijft er over?

Wat zijn dat voor mannen? Zelf zei hij er in een interview het volgende over: „Ik groeide op in een buurt waar ‘man-zijn’ betekent dat je een kamer kunt binnenlopen, een paar mensen in elkaar slaan, en winnen, als in een Schwarzenegger-film. Maar van mijn vader leerde ik iets anders, namelijk dat een man moreel sterk moet zijn.”

Die contradictie bepaalt de worsteling van al zijn hoofdpersonen. Enerzijds heb je de oerdrift, de woede, de agressie die hij als zoon van de New Yorkse wijk Little Italy dagelijks om zich heen zag. Anderzijds heb je de beheersing, de ascese van de priester die de kleine, astmatische Marty ooit wilde worden. Alleen maffiosi en priesters genoten respect waar hij opgroeide - niet de brave sappelaars.

Het zou te simpel zijn om het manbeeld van Scorsese films te verwarren met de boodschap. Zijn films preken geen machismo, zij portretteren het. Zijn mannen zijn in de war, barsten van zelfhaat, worstelen met de grenzen die kerk en staat aan hun onderbuik stelt. Ze handelen eerder uit wanhoop dan kwaadaardigheid. Zijn eerste grote film Mean Streets noemde Scorsese ooit een sociologisch onderzoek. De film is op zijn best als hij niet zwelgt in brute, ongeremde bravoure, maar toont hoe fragiel die mannelijkheid is. Door slow motion of bevroren beelden, vervreemdende camerabewegingen en het laten wegvallen van geluid, schetsen ze een psychogram van zijn getroebleerde hoofdpersonen.

Toch blijft het een wankel evenwicht. De films van Scorsese zijn ook een schoolvoorbeeld van de zogeheten ‘male gaze’, de mannelijke blik die vrouwen tot lustobject reduceert, tot aangeefster van de plot, tot fatale wezens die de man uitdagen redder in nood te zijn, en zo tot zijn ondergang leiden. Het wordt wel mannelijke melancholie genoemd: de voortdurende (zelf)destructieve angst gezag en macht kwijt te raken. Als Scorsese zelf als acteur opduikt in Taxi Driver, op de achterbank bij Travis Bickle, is dat als bedrogen echtgenoot die fantaseert hoe hij zijn vrouw zal vermoorden.

Bij Scorsese richt geweld zich tegen mannen én vrouwen, maar zijn ‘male gaze’ hebben hem vaak, en terecht, het verwijt van misogynie opgeleverd. Zijn vaste editor Thelma Schoonmaker wordt vaak gevraagd of ze een verzachtende invloed op haar partner in crime heeft. Zij antwoordt dan: „Wie zegt dat ik het niet ben die de films nog gewelddadiger maak?” Je kunt de mannen van Marty niet begrijpen zonder naar zijn vrouwen te kijken.