Column

Ontmoeting op de stoep

Argeloos liep ik langs een drukke Amsterdamse straat, toen een vrouw in een invalidenwagentje mij over de stoep tegemoetkwam. Ze groette me bijna uitbundig, hoewel we elkaar nooit eerder ontmoet hadden. Het was een gezette vrouw van in de zestig met een vriendelijk gezicht.

Ze hield naast mij halt en zei: „Meneer, als u het niet erg vindt, wil ik u graag even iets vragen.”

„Ga uw gang”, knikte ik. Ik was er niet helemaal voor in de stemming, maar wie durft een vragende dame in een invalidenwagentje iets te weigeren?

„Wat vindt u nu van de toestand in de wereld?” vroeg ze terwijl ze amicaal bleef glimlachen. „Is het niet vreselijk? Dat gedoe in Amerika, de veranderingen van het klimaat, al die oorlogen en aanslagen? Je vraagt je toch af: wat moet er van ons terechtkomen?”

Ik wist niet wat van mij verwacht werd: een breed, erudiet exposé over de verwording van de wereld of een simpel bevestigend knikje? Ik koos voor een middenweg. „Waarom zo somber, mevrouw? Denkt u niet dat er altijd al het nodige mis is geweest met de wereld?”

Naast ons raasde het verkeer over de weg – wij blaften en de karavaan trok verder, als altijd.

„Kijk om je heen”, zei ze, nu met luidere stem, „overal zie je rampen gebeuren, met de aarde, maar ook met mensen, er is werkloosheid, het gezinsverband raakt zoek, mensen leven langs elkaar heen, op straat groet niemand elkaar nog.”

Klagerige pessimisten maken me altijd een beetje recalcitrant. „Vroeger was het hier veel slechter”, zei ik terwijl ik naar een volksbuurt even verderop wees. „In die buurt is in de vorige eeuw bittere armoede geleden.”

„Dat kwam door de oorlog”, zei ze.

„Nee, dat was al vóór de oorlog.”

Ons gesprek dreigde in een impasse te raken, maar ze bleef vriendelijk kijken terwijl ze het over een andere boeg gooide. „Op deze manier kan het nooit goed met de mensheid aflopen. U weet wat Jezus daarover gezegd heeft?”

Hiermee raakte ze een zwakke plek in mijn afweer, want het is alweer erg lang geleden dat ik op de hoogte werd gebracht van wat Jezus over een en ander gezegd zou hebben.

„U kunt het allemaal in de Bijbel vinden”, zei ze. „En u weet: hij zal aan het einde selecteren, hij zal de goede mensen uitkiezen.”

Ik keek haar nogal verbaasd aan, het klonk alsof Jezus een soort bondscoach was geworden die alleen met de begaafdste spelers het allerhoogste wilde bereiken.

„Openbaring 21”, zei ze bijna achteloos. En ze citeerde uit haar hoofd: „Maar alles wat niet heilig is en een ieder die iets walgelijks en de leugen beoefent, zal er geenszins binnengaan, alleen zij die geschreven staan in de boekrol des levens van het Lam.”

Ze pakte een papiertje uit haar wagentje en gaf het me. „Hoe zal het leven zijn als Gods Koninkrijk over de aarde regeert?” las ik. „Ach”, zei ze, „ik ken de Bijbel zó goed, dat heb ik bij Jehova’s Getuigen geleerd, vanaf mijn zestiende al. Zal ik u even een filmpje laten zien?”

Ik zei dat ik nog aan het werk moest. Ze reikte me bij het afscheid beide handen en noemde haar adres voor het geval ik „het nodig had”. Toen liep ik vlug naar huis om de leugen te beoefenen.