Opinie

Middenklasse juist wel vrijgevig

Doe niet zo somber over de geefcultuur, schrijft

Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

Het hoofdredactionele commentaar (Rijke families blijven geven, terwijl de particulier steeds meer afgehaakt, 11/5) is somber over de vrijgevigheid in Nederland. De krant stelt dat het met de „sociale betrokkenheid van de rijke families (nog) goed is gesteld”, maar gewone burgers zouden afhaken als donateurs. NRC baseert zich op kwantitatief onderzoek van de VU dat geefcijfers in kaart brengt, gecombineerd met eigen onderzoek naar de dertig grootste familiestichtingen in ons land.

Beide onderzoeken zijn waardevol, maar vormen onvoldoende grond om deze conclusie te trekken. Ja, twintig procent van de gevers fourneert tachtig procent van alle geefgeld – een verdeling die we overal ter wereld terugzien. Met dien verstande dat burgers uit alle inkomensgroepen samen een veelvoud opbrengen van die giften, namelijk publiek geld via belastingafdracht. Daarnaast geeft nog eens 83 procent van alle huishoudens wel eens aan een goed doel – een hoge score waarmee Nederland tot de vrijgevigste landen behoort.

Alle onderzoeken tonen bovendien aan, dat grootverdieners in relatief opzicht juist minder doneren dan lagere inkomens. Werknemers met een modaal tot tweemaal modaal inkomen vormen de vrijgevigste groep. Zij schenken zelfs meer dan ondernemers en erfgenamen, weten we uit bankonderzoek.

De dertig grootste familiefondsen waarover NRC op 5 mei publiceerde, zijn de uitzondering en vertekenen het beeld. Dat patroon zien we ook in landen als de VS en Duitsland: enkele tientallen zeer grote fondsen trekken de aandacht maar verhullen de relatieve zuinigheid van hun mede-rijken. Helaas laat ook NRC zich misleiden door deze vertekening.

Dan de bewering dat Nederlanders ‘minder pro sociaal’ zijn geworden. Die conclusie trekken VU-onderzoekers op basis van een enquête die een extern bureau uitvoerde. Motieven van (niet-)gevers zijn niet de belangrijkste focus van dit onderzoek, maar er worden wel verstrekkende conclusies aan verbonden. Beter had men kunnen verwijzen naar een omvangrijke publicatie over de stand van de moraal van Nederlanders, die vorig jaar verscheen. Daarin tonen hoogleraar filosofie Gabriël van den Brink en Paul Dekker, hoofd onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau, juist het tegendeel aan: sociale waarden als het helpen van anderen behoren nog steeds tot de belangrijkste normen die veel landgenoten koesteren. Ook mijn eigen onderzoek naar de geefbereidheid van jongeren – vooral voor kunst en cultuur – bevestigt dit optimistische beeld.

Kijken we om ons heen, dan zien we tal van nieuwe sociale initiatieven als buurtcomités, voedselbanken en lokale fondsen, plus hulp aan ouderen, vluchtelingen en anderen die het zelfstandig niet redden. De aard van deze sociale inzet is veelal informeel en daardoor onvoldoende terug te vinden in de cijfers. Dat geldt zeker voor mantelzorg die zich achter de voordeur afspeelt.

Er is wel een gevaar: het huidige overheidsbeleid wordt gedreven door bezuinigingen. Dwang en tekorten zijn weinig aanlokkelijk om burgers te bewegen zich vrijwillig in te zetten. Daar komt bij dat dezelfde middenklasse die nog steeds de ruggengraat van de geefcultuur vormt, er netto weinig op vooruitgaat. Zij hebben minder geld én tijd om zich in te zetten voor hun medemens.

Dat desondanks de morele waarden van burgers overeind zijn gebleven en zij vele sociale initiatieven draaiende houden, verdient geen pessimisme maar juist erkenning en waardering.