Column

Kameel

Ellen

Afgelopen week hielp ik een vriend verhuizen en ik was na afloop om meerdere redenen geradbraakt. Niet alleen omdat ik een wasmachine met een steekkar acht trappen omhoog had getakeld, maar ook omdat ik net terug was uit het buitenland en ik aan reizen vooral een ruimtelijke jetlag overhoud: de eerste paar dagen na terugkomst heb ik het gevoel dat ik niet thuis ben, maar nog steeds ergens in het Oostblok naast een bagageband, waar ik sta uit te leggen dat het toch echt wasmiddelresten waren in mijn sok. Dat vreet energie.

Er is een Arabisch gezegde dat stelt dat je ziel reist met de snelheid van een kameel. Ik ben pas een week terug uit Kiev. Ervan uitgaande dat een kameel gemiddeld dertig kilometer per dag aflegt, zit mijn ziel momenteel pas ergens in Starokonstantinov. Het zal dus zeker anderhalve maand duren voor ze weer wordt herenigd met mijn hoofd.

Ervan uitgaande dat een kameel gemiddeld dertig kilometer per dag aflegt, zit mijn ziel momenteel pas ergens in Starokonstantinov

Misschien dat ik daarom extra van slag was, na de vriend te hebben verhuisd en thuis op mijn bank meteen overging tot de eerste akte van Snurk de musical. Want toen gebeurde het. Ik droomde over het ergste huis waarin ik ooit heb gewoond: een bouwval in Utrecht, in het allerbelabberdste deel van Zuilen. Gehorig (mijn buren waren Bulgaarse pooiers met een voorliefde voor deep house), smerig (muizenplaag, muren waarop schimmels onheilspellende rorschachvlekken vormden) en ’s nachts schreeuw- en vechtpartijen op straat. In mijn droom bevond ik me weer in dat huis, waar ik de ergste momenten van mijn leven had doorgebracht (onregelmatig werk, gebroken hart, vader ziek, geen idee wat ik met mijn bestaan aan moest). Nadat ik wakker schrok had ik er de rest van de dag last van.

Ik realiseerde me hoe moeilijk het is om van een huis waaraan je slechte herinneringen hebt, af te komen. Je stuurt adreswijzigingen door, verscheept je meubels, maar je hoofd volgt soms pas jaren later. Het is niet voorbij wanneer je de sleutels door de brievenbus mikt en zo hard mogelijk wegrent. Je woont er nog steeds, terwijl de nieuwe woning tergend langzaam tot al je bewustzijnslagen doordringt. Het duurt weken voor ik de geuren van een nieuwe kelder herken. De voetstappen van de nieuwe buren zijn nog steeds de voetstappen van die ene huisgenoot die opeens ’s nachts in mijn slaapkamer stond, gillend dat hij Jezus was en ik zijn heraut.

Die avond was ik zo bang voor mijn dromen dat ik het steeds maar uitstelde om naar bed te gaan en uiteindelijk in slaap viel op de bank. Misschien zal het beter gaan als mijn ziel eindelijk weer terug is uit het Oostblok, over precies 41 dagen. Je krijgt jezelf wel uit het huis, maar het huis niet uit jezelf.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.