Ironische Bond-acteur relativeerde zijn talent

Roger Moore (1927-2017)

Roger Moore blijft ‘voor altijd James Bond’. In zeven films speelde hij de geheim agent met een ironisch opgetrokken wenkbrauw.

Moore als James Bond met Barbara Bach in The Spy Who Loved Me, (1977). United Artists / Photofest

Als ultieme losbol, zo wilde de Britse acteur best de geschiedenis ingaan. Dat viel in 2008 op te maken uit zijn niet zelden melige memoires: Voor altijd James Bond. „Ik overleef James Bond”, voorspelde hij me indertijd in Amsterdam met een twinkeling in zijn ogen. „Op míjn grafsteen staat: Roger Moore, 1927-2089.”

Not quite, al overleed hij maandag in Zwitserland wel op 89-jarige leeftijd na een kort ziekbed aan kanker. Roger Moore was de 007 van dienst in zeven hitfilms tussen 1973 en 1985. Na de broeierige Schotse hardheid van Sean Connery bracht hij lichtheid en frivoliteit: zijn James Bond was een sardonische, wat treiterige Engelse kostschooljongen. Geheime wapens: een bronzen bariton en een ironisch opgetrokken wenkbrauw.

Roger Moore, die de Tweede Wereldoorlog net misliep, tekende graag als jongeman, werd in 1946 ingeschreven op een animatieopleiding en schnabbelde als lid van de vakbond voor filmtechnici bij als klusjesman op filmsets. Toen hij figureerde als legionair bij Ceasar en Cleopatra viel hij de homoseksuele co-regisseur Brian Desmond Hurst („Later bekend als de keizerin van Ierland”, monkelde Moore) dermate op dat hij hem doorstuurde naar de Royal Academy of Dramatic Arts. Tot verrukking van zijn vader, een politieman en amateuracteur.

Een huwelijk met twaalf jaar oudere zangeres Dorothy Squires bracht Moore in hogere sferen: tot dan toe scharrelde hij zijn kostje bij elkaar met toneelwerk, incidentele filmrolletjes en als truimodel in breipatroonbladen – collega Michael Caine bleef Moore altijd ‘The Big Knit’ noemen. In 1953 vertrok hij naar Hollywood met een zevenjarig contract van studio MGM op zak, om na het floppen van kostuumromance Diane (1956) met Lana Turner drie jaar later te worden ontslagen. Moore was niet meer dan een houten klaas, zo heette het.

Zijn toekomst lag op televisie: minder prestigieus, maar misschien invloedrijker dan de film. Als ridder Ivanhoe (1958-1959) veroverde hij de Europese huiskamers, als de Britse neef Beau in westernserie Maverick (1959-1961) viel hij ook in Amerika op, waarna hij als kosmopolitisch avonturier Simon Templar in The Saint (1962-1969) een mondiale superster werd. Al accepteerde Amerika hem pas echt toen hij James Bond nieuw leven inblies na de mislukte doorstart met de doodse George Lazenby.

‘Shaken, not stirred’

Door Moores vederlichte touch veranderde 007 van een Sean Connery-vehikel in een filmicoon dat zich aanpaste aan zijn tijd en nu aan zijn 26ste film toe is. Opvolgers konden positie kiezen tussen twee polen: grimmige Connery, jolige Moore. 007 kon voortaan de intense Timothy Dalton 007 zijn. Of de chique Pierce Brosnan. Of de bruut Daniel Craig. Het publiek accepteerde zulke periodieke updates na Moore, zolang de Martini maar ‘shaken, not stirred’ was en de ‘license to kill’ niet onbenut bleef.

Toch stak het Moore best dat hardcore fans de voorkeur gaven aan de gravitas van Sean Connery. Het deed hem veel plezier dat Connery bij zijn comebackpoging als 007 in Never Say Never Again het aan de kassa moest afleggen tegen Moore in Octopussy. Voor een nieuwe generatie, de veertigers en vijftigers van nu, was Roger Moore na Bondhits als Live and Let Die, The Man with the Golden Gun en The Spy Who Loved Me uitgegroeid tot de enige ware. Connery? Leuke retro.

Zijn privéleven hield Roger Moore voor zich, ook in zijn autobiografie. Wie zat er nou gezien zijn frivole imago te wachten op zijn diepste gevoelens, op onthullingen over lief en leed in zijn drie huwelijken? „Ik kan mij beter op de vlakte houden, anders klink ik als een pompeuze, arrogante fluim”, schatte hij zelf in. Liever stak hij de draak met zichzelf, koketteerde hij met zijn hypochondrie.

Clownspak

Roger Moore in 1972. Foto Getty Images

Roger Moore was een sprankelende causeur die zijn gezelschap vloerde met een stroom roddels, grappen en anekdotes. Soms schemerde onder die bonhomie enige gepikeerdheid door. Zo had Moore in 2008 voor alle 00’s warme woorden, op opvolger Timothy Dalton na. Die Shakespeariaan had Moore verweten 007 tot een clown te hebben gereduceerd: in Octopussy (1983) redt Moore inderdaad de wereld in clownspak.

Omdat Moore tijdens en na James Bond louter rollen kreeg aangeboden als komische actieheld of Bond-derivaat pensioneerde hij zichzelf min of meer na A View to a Kill in 1985. Eigenlijk was dat al één Bondfilm te veel: als 58-jarige actieheld overtuigde hij niet als hij aan een parachute van de Eiffeltoren sprong en leek hij verdwaald tussen de satijnen lakens van poema Grace Jones. „Op het strand aangespoeld met de rest van het drijfhout”, vatte hij zijn verdere loopbaan samen. Voor Moore geen wederopstanding als sexy, wijze grootvader, zoals rivaal Sean Connery beleefde. Hij hield het op cameo’s, talkshows, stemwerk.

Misschien had hij zijn acteertalent iets te fanatiek gerelativeerd, vermoedde Moore. Misschien was hij gemakzuchtig en blasé. „Zoals mijn goede vriend David Niven zei: ‘dear old chum, hoe kan ik nou een rol accepteren tijdens het skiseizoen?’ En wie wil er werken in de zomer? Dus doe je niks. En doe je dat lang genoeg, dan vergeten ze je.”

Zelfspot zat in zijn karakter gebakken. Mochten ze een film over hem maken – in 2008 was sprake van een biopic – dan hoopte hij dat Johnny Depp hem zou spelen, zei hij. „Die moet dan net doet alsof ik kon acteren.” Toch een acteur die diepere lagen onder uw frivole oppervlakte kan treffen, plaagde ik. „O, maar ik dacht meer aan Johnny Depp als Jack Sparrow in Pirates of the Caribbean”, pareerde Moore met uitgestreken gelaat. Roger Moore maakte zich geen illusies, maar ook geen zorgen over zijn plek in de filmgeschiedenis. Voor altijd James Bond.