Recensie

Dwalen door een prachtig filmdoolhof

Direct na binnenkomst in het EYE verdwaal je in Little Italy, de wijk van Manhattan die de astmatische, fobische Martin Scorsese in de jaren 50 vanachter het raam observeerde – op straat konden alleen zijn rappe tong en de grote vuisten van broer Frank hem redden.

Dan weer ben je aan het eind van de jaren 40: een gruizig homemovie van bokser Jake La Motta die in Raging Bull (1980) trouwt met zijn blonde droom. Je ziet de jaren 60: een maffiahuwelijk uit Goodfellas (1990) waar het enveloppen met inhoud regent en iedereen Pete, Paul of Mary heet. En Scorseses moeder Catherine in documentaire Italianamerican, die zijn vader beveelt naast haar te komen zitten.

„What’s the matter with you?”

„Forget about it. Get outta here!”

Jongeren kennen Scorsese van The Wolf of Wall Street of Hugo: wervelende films waarin hij zijn New Yorkse schandaalkroniek doortrekt naar het heden of zijn liefde voor de filmgeschiedenis etaleert. Martin Scorsese, The Exhibition legt de focus op de jonge, essentiële Scorsese van de jaren 70 die de filmkritiek verblufte met de drukke, vuige en gewelddadige stadsjungle van Mean Streets (1973), met Taxi Driver (1976), waar ‘lone wolf’ Travis Bickle radicaliseert tot engel der wrake.

Claustrofobisch oeuvre

De opzet van de expositie, die in 2013 in Berlijn debuteerde, is thematisch. Eerst Scorsese over familie, broederschap, geobsedeerde helden en New York. Dan de manipulator met montage, muziek, camerawerk en cinefilie. Het wat en het hoe van Martin Scorsese.

EYE’s tentoonstellingsmeester Jaap Guldemond mocht van de Duitse bedenkers weinig weglaten van de circa 600 foto’s, storyboards, kostuums, brieven en scripts die ze uit Scorseses archief opdiepten. Dat noopt tot wanden en vitrines, een breuk met de open zichtlijnen op megaschermen die exposities in het EYE tot zo’n sacrale ervaring maken.

Maar de dichtheid aan indrukken past eigenlijk wel bij Scorseses hectische, licht claustrofobisch oeuvre. We maken kennis met een controlfreak die elk shot, elke scène voor de eerste ‘action!’ al in zijn hoofd heeft, getuige zijn gedetailleerde storyboards. Die elk stijlmiddel inzet om blik en emoties van de kijker bijna tiranniek te dwingen.

Rust gunt Scorsese ons alleen in zijn religieuze passieprojecten – The Last Temptation of Christ, Kundun, Silence – waar de mens klein is in de natuur.

Zijn katholieke obsessies – lichaam versus geest, loutering en verlossing – blijven wat onderbelicht, maar het is al druk genoeg. De thematische aanpak benadrukt continuïteit, goed verdedigbaar bij Scorsese, bij wie zelfs de genrefilms – Cape Fear, Shutter Island – hoogstpersoonlijk zijn. Wel mist een element van ontwikkeling. Hoe zijn generatie in de jaren 70 het zieltogende Hollywood bestormde. Hoe hij zijn lichaam bijna fataal sloopte met tien jaar manische werk- en krijsrelaties, drugs, drank en fastfood. En in de jaren 80 ontnuchterd weer opstond om met After Hours en The Color of Money te bewijzen dat aan hem ook te verdienen viel. Al kijken zijn epische- filmhelden altijd spijtig terug op hun bijna fatale verleden: zie Goodfellas, Casino, Gangs of New York, The Wolf of Wall Street.

De eindbalans maken wij maar op als hij in zijn graf ligt, vindt Scorsese (76) zelf. Moge dat nog heel lang duren, denk je na uren dwalen door dit prachtige filmdoolhof in het EYE.