Cultuur

Interview

Interview

Erik Kwakkel: „Opeens zie je een vingerafdruk die de kopiist duizend jaar geleden op een bladzijde heeft achtergelaten.”

Foto Merlijn Doomernik

Deze man beheert 4.000 handschriften

Erik Kwakkel, boekwetenschapper

Boeken waren in de Middeleeuwen niet alleen voor monniken, vertelt de man die in Leiden 4.000 oude handschriften beheert.

Een jongen uit Meppel, later Kampen, zijn vader was politieagent. Hij ging naar de havo, zakte af naar de mavo – „ik was lui en traag” – en toen zag hij het licht. „Iemand van de universiteit kwam op school iets vertellen over de studie Engels en ik dacht: dat is het.” Hij had nooit geweten dat het kon, een taal studeren. En hij hield van taal. Hij hield van lezen. Zijn moeder werkte in de bibliotheek en op woensdagmiddag ging hij altijd met haar mee.

Terug naar de havo. Daarna naar de lerarenopleiding, propedeuse Nederlands en Engels. Daarna naar de universiteit, in Leiden. Nederlandse taal- en letterkunde. En nu is hij boekwetenschapper en hoogleraar, Scaligerhoogleraar, vernoemd naar de baanbrekende humanist Josephus Justus Scaliger, die van 1593 tot zijn dood in 1609 hoogleraar in Leiden was. Zijn vakken waren de klassieke filologie en de Bijbelwetenschap.

De leeropdracht van Erik Kwakkel is ‘Bijzondere Collecties’. Hij bestudeert de enorme verzameling middeleeuwse handschriften – ongeveer 4.000 – die in bezit is van de Leidse Universiteitsbibliotheek. En dan zijn er nog de gedrukte boeken uit de periode 1501 tot 1800, zeker 150.000 stuks. Plus de Arabische en Aziatische verzamelingen. Plus de curiositeiten. Een potscherf uit het jaar 139 na Christus met daarop een kwitantie voor betaalde dijkbelasting.

Hoe kwam u van Nederlands in de boekwetenschap terecht?

„Wat ik lastig vond aan Nederlands, vooral aan letterkunde, was het gebrek aan houvast, aan feiten. Ik wilde graag hoge cijfers halen, maar mij was niet duidelijk wat de criteria waren. Waarom had ik een zeven en iemand anders een acht? Dat kon niemand me uitleggen. Mijn belangstelling voor het boek, en dan bedoel ik het object, begon in mijn tweede jaar. Een boek kun je meten, om maar iets te noemen. Als jij het meet en ik meet het ook, dan hebben we dezelfde waarde. Geen subjectiviteit.”

Waarom zou je een boek willen meten?

„In de Middeleeuwen had je een enorme variatie aan formaten, en het formaat zegt iets over het gebruik. Een klein boekje kun je in je zak stoppen. Je gaat ermee op reis, en de kennis in dat boek reist met jou mee. Die verspreidt zich dus, soms door heel Europa. Een groot boek kwam de kerk of het klooster niet uit. En dan is er de historische sensatie waarover Johan Huizinga het had. Hij bedacht die term in 1920. Het gevoel van direct contact met het verleden als je een middeleeuws boek in je handen houdt. Opeens zie je een vingerafdruk die de kopiist duizend jaar geleden per ongeluk op een bladzijde heeft achtergelaten!”

Na het meten komt dus toch de interpretatie?

„Ik vraag me altijd af: waarom? En dan kom je in de cultuurgeschiedenis. Je ziet een boek dat in verschillende stukken is verdeeld, dat kan een heel prozaïsche reden hebben. Je moet er bijvoorbeeld drie weken lang college over geven en je hebt geen zin om elke keer dat hele pakket mee te nemen. Elk van die stukken is dus de stof voor één college.”

Nu heeft u het over het onderwijs, maar waren boeken in de Middeleeuwen niet vooral een zaak van kloosterlingen?

„Tot rond 1200 wel, ja. Voor die tijd werden boeken gemaakt door monniken, voor eigen gebruik. Maar rond 1200 zie je in Europa een nieuwe vorm van onderwijs ontstaan: de universiteit. Geleerden komen uit de kloosters en beginnen zich naar de steden te begeven, waar ze gemeenschappen gaan vormen met als doel: tot betere kennis komen door het uitwisselen van argumenten.

„Eigenlijk begint dat al met de Franse scholasticus Peter Abélard, die in 1120 een stuk schrijft waarin hij kerkvader Augustinus bekritiseert. Zo van: Augustinus zegt dit, maar het tegenovergestelde kan ook waar zijn. Er gebeurt zoveel in die eeuw, nieuwe kennis, geneeskunde, wiskunde, natuurkunde! Mensen beginnen op zichzelf te reflecteren, het begin van de Renaissance, van het humanisme, van het zelfbesef. De scholasticus Anselmus van Canterbury zegt: ‘dit is wit en ik wéét dat het wit is’. De mens wordt de maat der dingen, niet langer de kerk.”

Hoe stelt u zich die vroege universiteiten voor?

„Het zou interessant zijn om uit te zoeken wanneer die gemeenschappen zichzelf als universiteit gingen beschouwen. Soms is er een datum. Parijs: 1215, Bologna: 1088. De universiteit van Leiden werd pas in 1575 gesticht, maar het concept bestond dus al een paar eeuwen. Op de middeleeuwse universiteit begonnen studenten met de geesteswetenschappen, zes jaar lang. Aristoteles, grammatica, retorica. Daarna gingen ze zich pas specialiseren – geneeskunde, rechten. Leiden zoals ik het me voorstel, was een drukke en bedrijvige stad, vies, stinkend. Maar er werden wel heel mooie boeken gemaakt.”

Hoe snel werden handschriften na de vijftiende eeuw verdrongen door gedrukte boeken?

„Niet zo heel snel. Pas de tweede generatie boekdrukkers kon haar werk tegen concurrerende prijzen aanbieden. Je hoort vaak dat het boek pas werd geboren met de boekdrukkunst, maar dat is onzin. Die handschriften zijn ook boeken. Johannes Gutenberg maakte middeleeuwse handschriften, alleen drukte hij ze. En zo innovatief was hij niet, drukletters werden in 1377 al in Korea gebruikt. Zijn verdienste is dat hij losse letters gebruikte in plaats van blokken.”

En perkament werd toen verdrongen door papier?

„Ja, zoals papyrus eerder, vanaf de vijfde eeuw, verdrongen werd door perkament. Dat kwam door het christendom, dat dreef op lange Bijbelteksten. Papyrus kon je niet vouwen, dat moest je rollen, en als je terug naar hoofdstuk 1 wilde, was je dus minuten aan het rollen. Het boek was een handige manier om snel toegang tot alle delen van de tekst te hebben.”

U bent een fanatieke twitteraar en blogger, altijd over uw vak.

„Voor mij is de afstand tussen een schrijver uit de Middeleeuwen en een blogger of twitteraar nu niet groot. De techniek is anders, maar het gaat nog steeds om de expressie van meningen, om de discussie. En mensen zeggen nog steeds dezelfde dingen: ik vind dit en jij bent gek. Toen Abélard schreef dat Augustinus het helemaal fout zag, moest hij gelijk bij de paus komen. Ik zie wel een parallel met Donald Trump die journalisten kapittelt.”