Recensie

‘Stadsmormels’ lijdt aan ziekte van tv: elk beeld krijgt commentaar

Zap

Het beeldmateriaal dat Marc van Fucht verzamelde voor de serie ‘Stadsmormels’ is om door een ringetje te halen. De begeleidende voice-over is echter een probleem.

Een vos in ‘Stadsmormels’ (VARA).

Een van de leukste Nederlandse natuurfilms is Schoffies (Marc van Fucht, 2006). Met groot geduld en gevoel voor ironie portretteerde de regisseur, die het plan al in 2000 in een IDFA-workshop ontwikkelde, de naar schatting tussen de zeven en tien duizend blauwe reigers in Amsterdam. Het werd niet alleen een documentaire over dieren maar vooral ook over de mensen wier gedrag hun aanwezigheid in een grote stad mogelijk maakt.

De film was opgedragen aan ‘Bert’ en het moet wel heel raar lopen als dat niet om Bert Haanstra zou gaan, de aartsvader van guitige observaties van mensen en dieren (ZOO, Bij de Beesten Af), vaak met een knipoog naar de Amsterdamse humor. Het kon niet uitblijven dat er een vervolg zou komen. Stadsecoloog Floris Moolenbeek moest ons in de voorbeschouwing bij Pauw nu wel verzekeren dat je ook in Rotterdam, Den Haag of Utrecht een film over de daar aanwezige wilde dieren had kunnen maken.

De zesdelige serie Stadsmormels (VARA) behandelt telkens een ander beest, dat zich met groot succes handhaaft in Amsterdam, al zou je dat misschien niet verwachten. Denk daarbij aan konijn, halsbandparkiet, rat, meerkoet, ooievaar en, meteen in de eerste aflevering, vos. Moolenbeek schat hun aantal in de hoofdstad op tussen de honderd en honderdvijftig. Je treft ze vooral in het havengebied, rond volkstuinen en industrieterreinen. Maar soms verdwaalt er ook een in de binnenstad, wordt doodgereden door dronken Ieren voor de Kleine Komedie aan de Amstel of, zoals Van Fucht filmde, wordt gered door de Dierenambulance, na te zijn weggedoken in een winkel in de Jordaan. Zo’n dier belandt dan in de Toevlucht, een opvang voor verkommerde wilde beesten, om op krachten te komen.

Zoals in Schoffies de mevrouw die reigers gevogelte voerde (en daarvoor door de politierechter veroordeeld werd) de rode draad vormde, zo zien we in de vossenaflevering de eigenares van truckersrestaurant Bij Marjan, die een dagelijks door de heg opduikend vosje uit de hand kipfilet voert. Maar ook dit dier telt niet alleen vrienden onder de Amsterdammers: vooral de beheerder van een kinderboerderij is er niet zo blij mee.

Het beeldmateriaal dat Van Fucht verzamelde is opnieuw om door een ringetje te halen, met minstens zoveel aandacht voor zijn menselijke stadgenoten. Het probleem is nu nog meer dan in Schoffies het begeleidende commentaar. Dat wordt weer gesproken door een acteur (toen Peer Mascini, nu Aart Staartjes) die aan een stuk door aan het woord is. Daarbij worden voortdurend grapjes gemaakt die de vos in een menselijk daglicht stellen. Zo zien we twee jonge vossenzusjes stoeien, van wie er een later in het verkeer sneuvelt. Dat is een van de belangrijkste natuurlijke vijanden, vooral in de paartijd (late najaar), als de dieren „met hun kop in de wolken lopen.” En pubervosjes die te lang bij hun ouders blijven, wordt door Staartjes toegevoegd: „Hoog tijd om op kamers te gaan wonen, jongedame!”

Zelfs Haanstra leed aan het euvel van de antropomorfie, maar niet in deze extreme mate. Het is ook een beetje de ziekte van de televisie, om elk beeld van commentaar te voorzien en er een mening doorheen te kletsen. In de honderdste aflevering van Andere Tijden Sport (NOS/NTR) werden amateuropnamen door topsporters uit de jaren 60-80 vertoond. Erg aardig materiaal, maar zelfs bij de vakantiedia’s van de buren vroeger verlangde je ook wel eens naar een beeld zonder dat de hele tijd uitgelegd werd naar wie en wat je zat te kijken.