Recensie

Niet de schittering maar de diepte van de noten

Meesterpianist

Pianist Arcadi Volodos stelt zijn virtuositeit in dienst van de eenvoud. Hij pelt de muziek af tot zijn kale kern, en toont de luisteraar een open ruimte.

Arcadi Volodos Foto Marco Borggreve

Soms buigt de toets voor zijn wil. Dan lijkt zij slechts een klank voort te brengen omdat hij naar haar wijst, niet omdat hij haar toucheert. Zijn linkerhand houdt de muziek op de grond. De rechter wandelt, vlindert of snelt met de vederlichte tred van een spin over de vleugel. Het vingerballet van de Russische pianist Arcadi Volodos vertelt een fascinerend verhaal.

Het gemak waarmee ze bewegen, verraadt zijn vroegere virtuositeit. Maar wat die handen laten horen, is niet de schittering maar de diepte van de noten. Dat maakt Volodos meteen duidelijk in Schumanns Papillons. De componist liet zich ertoe inspireren door de roman Flegeljahre van Jean Paul, over een tweeling die verliefd is op hetzelfde meisje. De dramatische keuze vindt plaats tijdens een gemaskerd bal. Die slotscène lokte Schumann naar de piano, schreef hij zijn uitgever, „waar de ene na de andere Papillon ontstond”. Een pianist kan dat gemaskerde bal tot leven wekken, alsof het zich nu afspeelt. Maar dat is niet wat Volodos doet. Bij hem worden de Papillons verre herinneringen aan een gebeurtenis, dromerig, verzacht door de tijd, in sepiakleurig licht, een eerbetoon aan de melancholie.

In de acht Klavierstücke, opus 76 van Brahms, kleedt Volodos de muziek uit tot haar kern. Ook daarna, in de voorlaatste Twintigste Pianosonate van Schubert, komt de nadruk geheel te liggen op de eenvoud, op de stiltes en leegten die in de muziek besloten liggen. Van waaruit emoties stuwen als golven en weer tot rust komen. Voor je gevoel verklankt Volodos niet een voltooid beeld, maar voert hij je mee vanaf de eerste schetsen tot en met de laatste penseelstreek. Elk meesterwerk kent een open ruimte. En de beste musici, zoals Volodos, durven die ruimte ook open te laten.