Commentaar

Cannes roept boe en verraadt smetvrees filmindustrie

In de grote zaal van het Palais des Festivals in Cannes wordt boe geroepen. Dat gebeurt vaker. Op het filmfestival houdt men zo van de cinema dat een slechte film als persoonlijke belediging kan worden gevoeld. Maar dit keer is het anders, want de film moet nog beginnen. Hier wordt een logo uitgejouwd: Netflix. De juryvoorzitter heeft dan al verklaard dat wat hem betreft deze film van Netflix niet bekroond kan worden omdat hij buiten de VS, het VK en Zuid-Korea niet in de bioscoop wordt vertoond. Hij vreest, zegt hij, voor ondermijning van de bioscoopervaring. Dat is vast waar, maar maar hij vreest ook de concurrentie: nieuwelingen moeten de status quo respecteren, suggereert hij. Deze juryvoorzitter is de vermaarde Spaanse cultfilmer Pedro Almodóvar, en de laatste van wie zo’n smetvrezende houding verwacht kon worden.

Intussen haalt het verketterde abonneekanaal Netflix de reguliere filmproducenten links en rechts in. Met de enorme fondsen waarmee gewerkt kan worden, maar ook door zichzelf als producent serieus te nemen. Door buiten de gebaande paden te denken, bijvoorbeeld met series die de grenzen oprekken tussen speelfilm en tv zoals Sense8. Door grote namen als Woody Allen te verleiden om zulk series voor hen te maken. Maar ook door het potentieel te zien van nieuwelingen met een ongekend idee, of van de onbenutte mogelijkheden van een oud idee van oude bekenden (Fargo). En met eigen speelfilmproducties, dus.

Dit is de broodnodige uitbreiding van en kans voor de zo langzamerhand ouwelijke filmindustrie, zou je zeggen. Maar het antwoord is voorlopig ‘boe’.

Netflix maakt ook troep – maar dát wordt het bedrijf niet verweten. De filmwereld knijpt ’m om iets anders, namelijk om kwaliteit die wordt herkend door een immens publiek. Dat kijkt nu bijvoorbeeld massaal uit naar het vijfde seizoen van House of Cards, niet naar de stripverfilming Wonder Woman. Maar de filmindustrie blijft op zeker spelen (denkt ze) met blockbusters vol uitgekauwde formules en met telkens nieuwe versies van oude successen. En in plaats van te erkennen dat de metaalmoeheid toeslaat, staat men verbaasd dat de zoveelste, zeer dure, Koning-Arthur-adaptatie geen hit werd maar een flop.

Deze filmindustrie zou kunnen leren van het succes van Netflix’ aanpak en vrije hand voor de creativiteit van de makers, in plaats van weg te duiken in schijnzekerheid. Deze filmwereld zou Netflix kunnen omarmen en wel zo dat het niets liever wil dan zijn speelfilms (en series, per marathon, waarom niet) het aura van de bios geven, voor ze via de thuisbioscoop worden verspreid. En het publiek geniet. Nu voor de tv. Weldra ook in de filmzalen, wie weet.