Cultuur

Interview

Interview

Ontgroening in Amsterdam. Een student moet zich opdrukken op de Wallen.

Foto Thomas Schlijper

Gedwongen urine drinken kweekt geen band

Ontgroening

Samen ontberingen doorstaan versterkt de groepsband. Vernedering ondermijnt juist het groepsgevoel. Over de groentijd: „Hoe erger vernederd, hoe groter de neiging tot wraak.”

Zeg niet dat de student anno 2017 een watje is. Aspirant-leden van studentenverenigingen hebben er alles voor over om lid te worden. Ze slapen tussen het vuilnis of trotseren een met prikkeldraad gebarricadeerde logeerkamer. Meisjes – van de Leidse studentenvereniging Minerva – lopen rond met een Tenalady in hun onderbroek omdat ze niet naar de wc mogen. En bij het Amsterdamsch Studenten Corps (ASC) laten jongens zich dwingen hun eigen urine te drinken.

Afzien, is de gedachte bij deze studentenclubs, kweekt een groepsband. Die staat centraal tijdens de ontgroening, het intredingsritueel waarbij scholieren de nauwe banden met thuis doorsnijden en op een andere plek met gelijkgestemden als ‘volwassen’ student verder leven. Hoe zwaarder je het afzien maakt, constateerde de Amerikaanse sociaal-psycholoog Leon Festinger in 1957, hoe meer de ‘feuten’ of ‘nullen’ hun nieuwe club zullen waarderen.

Alleen: psychische vernedering tijdens de ontgroening verbroedert helemaal niet, ontdekte sociaal-psycholoog Liesbeth Mann tijdens onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam. Zij promoveerde in januari op de emotie ‘vernedering’: „het gevoel onterecht te worden gedegradeerd, bespot of gekleineerd”.

Leden werden ondervraagd

Mann betrok ook ontgroeningsrituelen van studenten in haar onderzoek. Ze ondervroeg 124 leden en voormalige leden van studentenverenigingen naar hun ervaringen, bootste een ontgroeningsritueel na in een lab, en deed een scenariostudie waarbij deelnemers zich moesten verplaatsen in denigrerende situaties die steeds erger werden.

Wat bleek? Vernederende ontgroeningsrituelen verbroederen veel minder dan niet-vernederende rituelen.

Samen vliegdennen trekken, je schor zoemen, een nacht doorhalen, je niet douchen, onopgemaakt rondlopen zonder mobiel. Dát werkt: je zit in hetzelfde schuitje, bent elkaars gelijken en steeds in elkaars buurt. Maar als je aspirant-leden psychisch vernedert, ondermijnt dat het groepsgevoel. Vooral als je ze in hun eentje voor schut zet voor de hele groep – in Leiden werd een stevig meisje voor tweehonderd anderen in een babybadje te kakken gezet.

De groep van gelijken biedt bij individuele vernedering geen bescherming meer. De sociale steun valt weg. Van saamhorigheid is geen sprake meer. Zo’n meisje als in Leiden heeft de neiging zich uit schaamte terug te trekken, zegt Mann. Of ze wordt agressief tegenover haar vernederaars en vliegt ze aan, zoals in 2009 de ontgroeningscommissie van Albertus Magnus in Groningen overkwam. Mann: „Hoe erger ze vernederd waren, merkte ik, hoe groter de neiging wraak te nemen op ontgroeners.”

Keuring in bikini

Mann vroeg verenigingsleden in een online vragenlijst naar hun meest vernederende ervaring. Mannen schreven dat ze eruit werden gepikt om hun bijdehante of verlegen houding, vrouwen werden op hun uiterlijk gepakt. Een jongen vertelde dat hij overgoten werd met biertjes en een ‘lullepot’ – speech – moest houden waarbij hij werd uitgescholden en uitgelachen. Meisjes werden in het zwembad in bikini door mannelijke corpsleden gekeurd. Ze moesten op een rijtje gaan staan, van knap naar lelijk.

Meerdere ondervraagden waren na zo’n ervaring afgehaakt. Wie in tranen uitbarst, hoort er niet meer bij en selecteert zichzelf uit, in elk geval voor een populair huis, dispuut of jaarclub – daarin is het selectiemechanisme meedogenloos. Anderen, veel minder, relativeerden de vernedering en zagen het als „onderdeel van het ontgroeningsspel”.

Maar daarin geeft het onderzoek een vertekend beeld, waarschuwt Mann. „Mensen die bereid waren hun ervaringen met ons te delen, zijn waarschijnlijk het vaakst vernederd en hebben zich dat het meest aangetrokken. Je klapt niet uit de school over ontgroeningen, dat is een ongeschreven regel. Je uitspreken betekent uitsluiting.”

In de Verenigde Staten zijn ontgroeningen eerder onderzocht. Opmerkelijk genoeg concludeerden Aronson & Mills (1959) dat de zwaarte (severity) van de ontgroening een positief effect had op ‘liking’ van de groep. Hun onderzoek wordt vaak gebruikt om ontgroeningen te rechtvaardigen, zegt Mann, maar daarin keken de onderzoekers alleen naar het effect van een vervelende, wat gênante taak; gevoelens van vernedering werden nooit gemeten.

Datzelfde geldt voor de Australiërs, zij onderzochten wat lichamelijk pijn lijden met een groep doet. Samen de handen in ijswater houden, hoe pijnlijk en vervelend ook, verbroedert. Samen fysieke pijn doorstaan, vergroot de onderlinge verbondenheid en saamhorigheid.

Wat aspirant-leden kan helpen, zegt Mann, is denken: het is een spel. „En saamhorigheid kan iets oplossen. Als je samen met anderen vernederd wordt, is dat minder ingrijpend dan als je de enige bent. Maar de vraag is natuurlijk: veroorzaakt groepsvernedering een saamhorigheidsgevoel of zorgt het saamhorigheidsgevoel dat je met vernedering kunt omgaan en weerbaar bent. En we ontdekten: hier spelen vele aspecten mee die moeilijk zijn te ontwarren. Als je ouders en grootouders of je schoolvrienden het hebben doorstaan, tolereer je misschien gemakkelijker een denigrerende behandeling.”

Dehumanisatie

Het liefst zou Mann als vervolg vergelijkend veldonderzoek doen naar de kennismakingstijd bij twee verschillende verenigingen. Meelopen met een harde ontgroening waar aspirant-leden worden gestript van hun individuele kenmerken – „dat zijn elementen van dehumanisatie” – om hun oude leven af te werpen en zich te kunnen overgeven aan de nieuwe groep. En ook achter de schermen kijken bij een introductietijd op basis van gelijkheid. Maar ja, kom daar maar eens om bij verenigingen die ‘pottenkijkers’ liever geen blik binnen hun muren gunnen.