De man die uit zijn werk verdween

Stanley Brouwn 1935-2017 Het werk van Stanley Brouwn is uitermate persoonlijk op de meest onpersoonlijke manier. Wat weet je van iemand als je zijn schoenmaat weet?

‘Het gebouw’ van Stanley Brouwn, Hogeweide 3b, Utrecht. Foto Leo van Velzen

Misschien was het beter als er hier geen necrologie van Stanley Brouwn had gestaan. Of als er in deze necrologie helemaal niets over de kunstenaar, die op 18 mei in Amsterdam overleed, gezegd zou worden. Als zelfs zijn geboorteplaats en –jaar niet zouden worden prijsgegeven. Dat was in de geest van de kunstenaar geweest, die in 1972 besloot dat hij niet meer in de openbaarheid thuis wilde zijn. Geen foto’s, geen gegevens, niets.

Maar Stanley Brouwn (Paramaribo, 1935) is zo’n belangrijke conceptuele kunstenaar dat het toch gebeurt. Bovendien is zijn weigering om zijn kunst te promoten zélf kunst aan het worden. In een tijd waarin iedereen zijn bestaan moet uitventen, kun je Brouwn zelfs zien als pionier van een tegenbeweging – als zodanig figureert hij ook in het nieuwe boek van de Britse kunstcriticus Martin Herbert, Tell Them I Said No. Daarin worden tien kunstenaars geportretteerd die radicaal de publiciteit schuwen.


Stanley Brouwn, Agnes Martin en David Hammons pakken het heel anders aan dan bijvoorbeeld Marina Abramovic. Zij is juist louter door het inzetten van haar persoonlijkheid een van de bekendste kunstenaars ter wereld geworden. Haar performance The Artist is present (2010) in het MoMa in New York plaatste haar als een koningin voor haar onderdanen, terwijl ze niets meer en niets minder aanbood dan zichzelf. De kunstenaar was haar werk geworden.

Brouwn schittert juist door afwezigheid. Hij is geheel uit zijn werk verdwenen, al is zijn werk altijd meteen onmiskenbaar Brouwn, dankzij de rigoureuze beperkingen in onderwerp en vormgeving die hij zich heeft opgelegd. Uitgestreken paradoxaal liet hij het meest persoonlijke onpersoonlijk zijn. Maar net als bij Abramovic draait het bij hem om aanwezigheid en afwezigheid. Zo staat Brouwn bijvoorbeeld niet toe dat er reproducties van zijn werk worden afgebeeld, hoe zakelijk dat er ook uitziet. Je moet het ter plekke ervaren.

Naar Amsterdam

Brouwn kwam eind jaren vijftig naar Amsterdam. Voor een van zijn eerste werken legde hij vellen papier op straat. Als er overheen gereden of gelopen was, waren het kunstwerken. Ook voor de beroemde serie This Way Brouwn (1960-1964) wist de kunstenaar op slinkse wijze zichzelf te omzeilen door mensen de weg te vragen en hen die route ook te laten tekenen. Op de resultaten stempelde hij ‘This Way Brouwn’ en hij stelde ze tentoon zonder verder commentaar: geschetste kaartjes, volledig losgezongen van hun functie. Vaak is niet eens te zien dat het om kaarten gaat.

Brouwn is zich zijn hele carrière blijven concentreren op afstand en hoe die overbrugd en gemeten wordt. Hij legde bijvoorbeeld vast hoeveel stappen hij in een bepaalde stad deed of hoe groot de zaal van een museum was. Over afstand gaat ook een van de weinige uitspraken van Brouwn die zijn vastgelegd: „Steeds meer mensen maken een of twee keer per jaar verre vliegreizen. De geldigheid van het begrip afstand wordt steeds verder uitgehold. In mijn werk worden afstanden opnieuw opgeladen, ze krijgen weer betekenis.”

Brouwn maakte afstand iets heel persoonlijks door tegenover de standaardmaten als de meter maten te zetten die hij ontleende aan zijn eigen lichaam: de sb-voet, de sb-el en de sb-stap. Hij mat zijn gang door het leven dus in zijn eigen eenheden. Maar deze maten zijn wel persoonlijk op de meest onpersoonlijke manier. Wat weet je over iemand als je zijn schoenmaat weet?

Lichaamsgebouw

Brouwns werk is niet altijd conceptueel gebleven. In 2005 heeft zijn lichaam het tot gebouw gebracht. Toen werd een als tijdelijk bedoeld, door Brouwn ontworpen gebouwtje (titel: het gebouw) geplaatst in Leidsche Rijn bij Utrecht. Het ontwerp, twee haaks op elkaar gestapelde rechthoeken, oogt strak, maar de maten zijn persoonlijk. Het is gemaakt van platen die 5 bij 5 sb-voet meten. Een sb-voet is 26 cm. De eenvoudige vorm vereiste bovendien een ingewikkelde constructie, die werd bedacht door architect Bertus Mulder. „Het was echt een tour de force om het zo strak te krijgen”, zei hij in 2005 in een interview met NRC.

Lees ook ‘Ik had daar twee pootjes onder gezet’, een interview uit 2005 met Bertus Mulder

De ingrepen van Brouwn hebben, hoe onderkoeld ook gebracht, altijd een metaforische kwaliteit, die loopt langs de assen zichtbaar en onzichtbaar, persoonlijk en universeel. Nu schreeuwen ze om een conventionele invulling. Brouwn was bijvoorbeeld pas de tweede kunstenaar van Surinaamse afkomst die in het Stedelijk Museum in Amsterdam exposeerde. Hoe verhoudt dat zich tot zijn werk? Enkele andere wapenfeiten: Brouwn nam deel aan de Documenta in Kassel in 1972, 1977, 1982 en 2002 en hij vertegenwoordigde Nederland op de Biënnale van Venetië in 1982. Zijn laatste grote solotentoonstelling had hij in 2005 in het Van Abbemuseum.

Lees ook Inconsequenties tasten methode Brouwn aan, over Brouwns laatste grote solotentoonstelling in het Van Abbemuseum

Hij gaf les aan De Ateliers in Amsterdam en aan de kunstacademie in Hamburg. In 1971, het jaar voor hij besloot onzichtbaar te worden, gaf hij al zijn toekomstige werk vast een titel mee: Man loopt op de planeet aarde. Wat zou ik over die man graag een biografie lezen.