‘Wie een grote mond heeft, verdient een lesje’

Ontgroeningen

Bij het Amsterdamse corps neemt het aantal ontsporingen tijdens groentijd toe, net als elders in het land. Leden identificeren zich eerder met hun huis of dispuut dan met de vereniging. Toch is het de vraag of de overheid moet ingrijpen. ‘Het is juist een training in omgaan met macht’.

Exterieur van het gebouw van de Amsterdamse Studenten Corps (ASC) Foto Evert Elzinga / ANP

Een student, levend in de proeftuin van volwassenheid, kan zich soms misdragen. Dat besef is zo oud als de allereerste universiteit. En toen al kneep de samenleving een oogje toe. Voor de student was er een speciale academische rechtbank die milde straffen oplegde als ‘kamerarrest’ of een kleine geldboete, gelijk te verdelen onder de hoogleraren. Of, bij ernstig wangedrag, enkele dagen kerkerstraf op water en brood in het academiegebouw.

Tralies zijn in de moderne universiteitsgebouwen niet meer te vinden. Universiteiten laten de ‘tuchtiging’ van hun studenten nu over aan de studentenverenigingen. Die hebben vaak een eigen rechtscollege dat vonnissen toont in de vitrine van het verenigingsgebouw – ‘14 weken schorsing voor de heer X wegens een kopstoot’.

Maar de vraag is of deze manier van ‘zelfcontrole’ nog voldoet. Er heerst bij studentenverenigingen in toenemende mate een zwijgcultuur, incidenten worden gladgestreken en daders blijven onberispt. Zo berichtte deze krant afgelopen weekend over de Groningse studentenvereniging Vindicat die in 2015 niet alleen een ernstig incident verzweeg – commissieleden deelden rake klappen uit aan aspirant-leden – maar tegenover de toezichthouder zulk geweld ook vergoelijkte: „Wie een grote mond heeft, verdient een lesje”. De Groningse universiteit en hogeschool houden zich afzijdig. Een adviescommissie, opgericht om toezicht te houden, zegt zich een tandeloze tijger te voelen. Er is volgens de commissie een subcultuur ontstaan waarin ouderejaars geweld niet schuwen en eerstejaars behandelen als ‘minderwaardig’.

Lees over Vindicat en de toezichthouder: Bek houden en luisteren, feuten!

Niet alleen Groningen verhardt

De verharding van de ontgroeningscultuur beperkt zich niet tot Groningen. Deze maand maakte het Openbaar Ministerie bekend vijf studenten uit Leiden te vervolgen wegens vernielingen en het brengen van de Hitlergroet in het kader van ontgroeningen. In Amsterdam heeft justitie nu een zaak in onderzoek waarbij een eerstejaars van studentencorps A.S.C/ A.V.S.V. een tand uit zijn mond is geslagen door ouderejaars omdat hij zijn ‘das’ nog moest verdienen.

De rector van het Amsterdamse studentencorps trok vorige week aan de bel in het reünistenblad Nos iungit Amicitia (‘vriendschap verbindt ons’). „Humor” is in de introductietijd volgens A.S.C.-voorzitter Boris Bekkering vaak ver te zoeken en het doel van ontgroening lijkt niet langer mensen steviger maken maar „zo zuur mogelijk te doen”. Eerder uitten reünisten in een alarmerende brief hun zorgen aan het bestuur. Ouders van aankomende studenten zouden hun kinderen vanwege alle negatieve berichtgeving afraden nog lid te worden van de vereniging.

Brief van reünistenbestuur aan A.S.C/ A.V.S.V.

Het bestuur heeft geen greep meer op zijn leden, beaamt Bekkering in het verenigingsblad. Het leven van de leden concentreert zich tegenwoordig veel meer rond de dispuutshuizen en minder rond de sociëteit. „We komen wel langs voor controle, maar dan staan we eerst vijf minuten voor een dichte deur. En je weet dat de gezondst ogende feut vervolgens naar voren wordt geschoven.”

Slaan met ‘de vlakke’

Slaan met ‘de vlakke’ is bij sommige verenigingen, huizen en disputen ‘mos’ – toegestaan. Regels over voldoende slaap en eten tijdens de introductietijd zijn er wel, maar niemand trekt zich er wat van aan – sommige feuten vallen in enkele weken vijf kilo af. Over de meest ernstige geweldsincidenten of vernederingen horen hooguit de ouders van eerstejaars, maar die houden tegenover de vereniging hun mond uit angst dat hun kind buiten de boot valt. Met als gevolg dat ouderejaars een carte blanche ervaren en de excessen nog verder toenemen.

Eerstejaars van de Leidse studentenvereniging Augustinus worden door ouderejaars bestookt met een mengsel van mayonaise, ketchup en mosterd. Foto Taco van der Eb/Hollandse Hoogte

Studentenverenigingen zijn te massaal geworden, klinkt het onder reünisten. Feesten voor de hele sociëteit hebben de omvang van een professioneel evenement en geen lid dat nog maalt als het na wangedrag voor straf een paar weken niet mag komen bij de wekelijkse sociëteitsborrel – dan viert ’ie wel zijn eigen feestje met dispuuts- en/of huisgenoten. Dáár ligt zijn loyaliteit, niet bij de vereniging.

Reünisten en ouders zien dat de druk op studenten is toegenomen. De druk om hard te studeren, hard te feesten, maar ook hard te ontgroenen. Tradities en gebruiken waar voorheen zes jaar de tijd voor was worden nu in vier jaar gepropt: het is een snelkookpan. Disputen troeven elkaar af met nieuwe ‘tradities’ die elk jaar weer een stapje verder gaan. Interne tegenspraak ontbreekt omdat door de studiedruk het verloop in verenigingshuizen hoog is en ervaring van vierde-, vijfde- of zesdejaars leden schaarser is. Intussen neemt ook het aandeel ‘andersgezinden’ stilaan af. Leden met een economische studie – de helft van alle eerstejaars-corpsleden in Amsterdam – voeren de boventoon en al op de middelbare school worden plaatsen in corpshuizen via WhatsApp onder vrienden onderling verdeeld. Het corpslid van nu, constateert de wat weemoedige reünist, leeft in de mono-culturele bubble van zijn eigen dispuut en voelt geen enkele noodzaak verantwoording af te leggen. Noch aan de buitenwereld, noch aan het verenigingsbestuur.

Het gebouw van het Amsterdamse Studenten Corps (ASC). Foto Evert Elzinga/ANP

Terug naar de tralies?

Hoe nu verder? Terug naar de tralies in het universiteitsgebouw? Invoering van de groentijdpolitie? De vraag of studenten in staat tot zelfcontrole heeft zich in de geschiedenis al meerdere keren opgeworpen, zegt Pieter Caljé, universitair hoofddocent geschiedenis aan Maastricht University. „Incidenten met drank, geweld en bordeelbezoek zijn er altijd geweest en al vanaf de middeleeuwen had ontgroening een slechte naam.” De overheid wilde het verbieden. Maar júíst de behoefte aan zelfregulering heeft geleid tot de oprichting van studentenverenigingen – het Groningse Vindicat atque Polit (‘Handhaaft en Beschaaft’) in 1815 als een van de eersten. Verenigingen waren er om studenten in toom te houden. Ze verwierven een machtige positie en werden een belangrijke gesprekspartner van de overheid.

Interview met A.S.C.-rector Boris Bekkering:

Hun rol veranderde toen studeren eind jaren 60 niet alleen meer voor de elite was. Onderwijs werd een motor voor emancipatie, de universiteit werd massaler, individualistischer, het verenigingsleven minder dominant. Excessen in de groentijd werden als problematischer gezien en het ledental van verenigingen nam af. De overheid ging zich meer met de studenten bemoeien en voerde een stelsel van studiebeurzen in. De machtsbalans veranderde, zegt Caljé. „Dé student bestond niet meer. Veel waren niet meer lid en financieel afhankelijk van de overheid. Dat verzwakte de positie van verenigingen.”

Van zelfcontrole was vanaf de jaren 80 steeds minder sprake, zegt Caljé. Verenigingen werd „destructiever” en raakten meer ontremd. „In corpora zijn altijd twee zielen verenigd geweest: die van de vormingspartij en die van de kroegpartij. De ene wil beschaven, de ander zich uitleven. Er is een spanning tussen die twee en welke wint is afhankelijk van de tijdgeest.”

Het is mogelijk dat de overheid de controle op het studentenleven nu meer naar zich toe wil trekken, zegt Caljé. „ Op meer terreinen in de samenleving zie je een overheid die fel optreedt, zoals tegen wangedrag van hangjongeren. Hetzelfde zou je bij studenten kunnen doen.”

Maar of dat zou moeten is de vraag, zegt Caljé. „De groentijd is een ingewikkelde cultuurvorm. De groentijd is niet per se goed of fout. Het is bedoeld als een training in de omgang met macht en machtsverschillen, júist om machtsmisbruik te voorkomen. Dáárvoor zijn de verenigingen opgericht. Maar dan moeten ze die taak wel waarmaken.”