Opinie

Waarom de formatie wel stuk móest lopen

Dat de formatie is afgeketst op migratie zegt vooral iets over het zelfbeeld van de Nederlander, schrijven en . Dat VVD en CDA blijven geloven in het beeld van de kansarme migrant, houdt de kloof in stand.

Illustratie Hajo

Gerd Leers, CDA-minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, zei het in 2010 zo: „We moeten maatregelen nemen om de komst van kansarmen – mensen die misbruik willen maken van onze situatie en enkel willen profiteren van onze gemeenschapsvoorzieningen – een halt toe te roepen.”

Migratie en integratie. De formatiebesprekingen liepen er deze week op vast. Veel willen de vier partijen er niet over zeggen, maar we weten dat hun standpunten over migratie en integratie „onoverbrugbaar” zijn.

En een compromis is moeilijk te bereiken; de partijen zijn op dit punt overtuigd van het eigen gelijk, de samenleving is verdeeld. Geen van de partijleiders hoeft gezichtsverlies bij zijn achterban te vrezen als hij weigert op het gebied van migratie water bij de wijn te doen.

Dat ligt anders bij een onderwerp als duurzaamheid of de bestrijding van sociale ongelijkheid. Al zouden VVD en CDA duurzaamheid geen heikel punt vinden en sociale ongelijkheid niet enorm bezwaarlijk – het is toch vervelend als zo’n opvatting publiekelijk aan hen kleeft.

Bovendien zijn hier compromissen mogelijk – omdat iedereen het min of meer eens is over de richting van de oplossing: méér duurzaamheid, minder ongelijkheid.

Doembeelden en dystopie

Maar bij migratie en integratie staan de neuzen niet dezelfde kant op. Er bestaat geen wenkend perspectief, geen richting, geen utopie. Hier domineren doembeelden en dystopie – althans bij VVD en CDA. Iedere (‘niet-Westerse’) nieuwkomer is er in hun ogen één te veel. Daarom willen ze ook het recht van mensen in nood om asiel in Nederland aan te vragen (verder) inperken.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? VVD’ers en CDA’ers menen dat migranten zoveel mogelijk uit Nederland moeten worden geweerd; wat zegt dat over het beeld dat zij van migranten hebben?

En welk zelfbeeld koesteren zij: waarom zou Nederland de komst van nieuwkomers niet aankunnen? Waarom is de kloof tussen Nederlanders en nieuwkomers in hun opvatting onoverbrugbaar geworden?

Vanaf de eeuwwisseling, en dan met name na de opkomst van Pim Fortuyn, wordt de opinie dat ‘de integratie van migranten is mislukt’ steeds breder onder politici gedeeld. In 2002 nam de Tweede Kamer een motie aan van SP-leider Marijnissen om een commissie in te stellen die moest achterhalen waarom de integratie zo kon mislukken. Maar toen deze commissie onder leiding van VVD’er Stef Blok haar belangrijkste bevinding presenteerde, namelijk dat de meerderheid van de migranten juist goed integreert, „kon dit niet waar zijn”, aldus het toenmalige VVD-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali.

Ook toen ging het niet om de feiten, maar om het beeld. En het beeld was dat de integratie van migranten mislukt was.

Nieuwkomers en ‘oudkomers’

Die breed gedeelde opvatting had vergaande consequenties. Niet alleen voor nieuwkomers maar ook voor ‘oudkomers’ – zoals de vreemdelingen genoemd werden die hier al langer, soms decennia woonden. Sinds het bewind van minister Rita Verdonk (VVD, Vreemdelingenzaken en Integratie) moeten zij slagen voor het inburgeringsexamen. Voor mensen die naar Nederland wílden komen, waren de gevolgen nog groter.

We hebben recent onderzoek uitgevoerd naar de ontwikkeling van het politieke debat over migranten in de afgelopen vijftien jaar, en de consequenties ervan. Eén figuur blijkt in dat debat een centrale rol te vervullen: de ‘kansarme migrant’.

In de naoorlogse politiek was ‘kansarm’ nog een oplosbaar probleem, zeker voor sociaal- en christendemocraten. Kansarmen moesten worden opgevoed en opgeleid en zo tot goed functionerende burgers worden gevormd.

Dit was niet alleen een kwestie van ‘maakbaarheid’ maar ook van sociale rechtvaardigheid: de overheid droeg de morele verantwoordelijkheid om te zorgen voor gelijke kansen voor iedereen.

Dit vertrouwen in de ‘maakbare samenleving’ is sinds het einde van het kabinet-Den Uyl (1977) sterk teruggelopen. Linkse politieke partijen kregen het verwijt naïef te zijn geweest: de mens bleek veel minder maakbaar, de marges bleken smal. Kansarmen konden niet zo makkelijk uit hun achterstanden worden bevrijd, het vooruitgangsoptimisme was te groot geweest.

Dat gold a fortiori voor kansarme migranten: konden zij ooit wel succesvol in de Nederlandse samenleving inburgeren? Talloos zijn de citaten van politici die na 2002 kansarme migranten niet langer willen opvangen, maar die juist menen dat het kansarm zijn van een migrant een argument is om hem of haar te weren. Om de grens gesloten te houden.

Zo zei VVD-Kamerlid Cora van Nieuwenhuizen in 2010 dat „veel migranten zich juist ook tegen de Nederlandse samenleving afzetten. Zij lijken alleen geïnteresseerd in onze welvaart. […] Veel mensen uit die groep schreeuwen wel om respect, maar tonen zelf geen greintje respect voor anderen of voor onze samenleving. […] Het is daarom van groot belang om de nieuwe instroom van kansarme migranten zo klein mogelijk te houden. Anders gaat het de spankracht van onze samenleving te boven.”

In hetzelfde jaar concludeert de VVD in haar verkiezingsprogramma: „De voorbije decennia hebben laten zien dat een grote toestroom van kansarme migranten ontwrichtend kan werken op de samenleving. De VVD wil deze toestroom daarom tot nul terugdringen.”

Het CDA volgt grotendeels dezelfde gedachtegang, al mengt deze partij daar vaak nog het paternalistisch argument doorheen dat het voor migranten zelf ook beter is om weg te blijven: „Wij moeten helaas constateren dat er mensen zijn die het in Nederland niet redden. Dat noemen wij de kansarme migranten. [...] Wij zien dat de spankracht van de samenleving deze groep op dit moment niet aankan en dat deze mensen en hun kinderen het bovendien zelf ontzettend moeilijk hebben in deze samenleving.”

Voor de duidelijkheid: het betreft hier (toekomstige) partners of kinderen van Nederlanders of van migranten die al langere tijd in Nederland verblijven. Het gaat niet om nieuwe arbeidsmigranten – die worden immers al sinds de oliecrisis van de jaren zeventig niet meer geworven.

De mogelijkheid tot gezinsvorming, lange tijd voor het CDA een belangrijk mensenrecht, wordt niet langer opportuun geacht, omdat gezinsmigranten als ‘kansarmen’ de samenleving louter tot last zouden zijn.

Stap verder

In de huidige discussie gaan CDA en VVD een stap verder. Ze willen niet alleen gezinsmigratie blokkeren, ze willen dat mensen die vluchten voor oorlogsgeweld, hier geen asiel meer kunnen aanvragen.

Hoe moeten we deze radicalisering van VVD en CDA begrijpen? Uit ons onderzoek blijkt dat het hierbij niet alleen gaat om veronderstelde sociaal-economische kenmerken van mensen die hier willen komen, maar dat Nederland voor nieuwkomers ook cultureel niet ‘passend’ zou zijn.

Zo stelde toenmalig VVD-Kamerlid Henk Kamp in een motie in 2008 voor om alleen nog gezinsmigranten toe te laten met „adequate” opleiding en taalvaardigheden en een „positieve opstelling ten opzichte van onze samenleving” – alsof laagopgeleiden niet positief kunnen zijn over de Nederlandse samenleving.

Waar komt die gedachte van een te grote culturele kloof vandaan? Dat heeft alles te maken met de discussie over de Nederlandse identiteit die nu zo’n twintig jaar wordt gevoerd. Daarbij valt op dat de Nederlandse identiteit steeds progressiever wordt ingevuld. Van links tot rechts staan vooral vrouwen- en homorechten centraal – dát zijn Nederlandse waarden.

Alleen de SGP en Denk lijken zich aan deze consensus te onttrekken.

In andere Westerse landen zoals Frankrijk of de Verenigde Staten, vullen populistische partijen de nationale identiteit veel conservatiever in. Daar is de verdeeldheid onder partijen navenant groter.

Maar in Nederland worden liberale, progressieve waarden breed bejubeld. Politieke partijen overtroeven elkaar met historische voorbeelden waaruit zou moeten blijken dat ‘we’ altijd al modern en progressief zijn geweest. Dit leidt tot tamelijk hilarische claims, zoals dat vrouwenemancipatie een „joods-christelijke waarde” is die „duizenden jaren” oud is (CDA-leider Buma).

Ketelmuziek

Deze nieuwe consensus over vrijzinnige waarden wordt soms overstemd door de ketelmuziek van populistische zijde, waardoor tegenstellingen in de Nederlandse politiek op het oog groter zijn geworden. Maar het tegendeel is waar. Als het om politieke waarden gaat, heerst er vergaande consensus in Nederland.

Juist vanwege dat progressieve karakter van de nationale identiteit kan de kloof met nieuwkomers (lees: moslim-nieuwkomers) door VVD en CDA als onoverbrugbaar worden voorgesteld.

Vroeger was Nederland er trots op voorop te lopen; we noemden onszelf niet voor niks „gidsland”. Maar vandaag de dag leidt het progressieve zelfbeeld tot een conservatieve reactie: de grenzen moeten verder worden gesloten. We hebben de ambitie verloren om een „lichtend voorbeeld” te zijn, misschien wel omdat voortdurend wordt benadrukt dat vrouwen- en homorechten bij uitstek Nederlandse waarden zijn.

Dat betekent voor CDA en VVD dat voor nieuwkomers geen plaats is en dat in Nederland levende migranten kunnen „oppleuren” wanneer ze het niet eens zijn met wat de VVD „normaal” vindt.

Maar gaat het bij homo- en vrouwenrechten niet bij uitstek om universele mensenrechten? Waarom worden dergelijke waarden dan door VVD en CDA gebruikt om Nederland van de wereld af te zonderen?

Stel dat politici zouden onderkennen dat de verdediging van internationale mensenrechten ook nationale consequenties moet hebben (zoals bijvoorbeeld het recht op asiel), zou er dan alsnog, ook op dit onderwerp, een wenkend perspectief ontstaan zodat VVD en CDA kunnen terugkeren naar de onderhandelingstafel met GroenLinks en D66?