Tirritante kunst om te lachen

Humor in de kunst

Kunst is al lang niet meer uitsluitend ernstig en deftig. In Haarlem is een overzicht te zien van vrolijke, ontregelende kunst, met onder meer werk van Wim T. Schippers, Herr Seele en Kamagurka.

Werk van Jan Verburg Foto Olivier Middendorp

In een vitrine van het Frans Hals Museum in Haarlem ligt weekblad Donald Duck opengeslagen bij de Duckstadkrant, waarin we dit schokkende kunstnieuws kunnen lezen: „Geen subsidie meer voor Donselaer. Sinds 1992 maakt kunstenaar Arend-Henk Donselaer elk jaar twee maatschappijkritische schilderijen voor het Duckstads Museum. Hiervoor krijgt hij altijd honderdduizend euro subsidie, maar de commissie vindt de kunstenaar de laatste jaren weinig vernieuwend. Donselaer: ‘Mijn werk ‘Foppervlakkigheid’, een groot, wit doek, zou te gemakzuchtig zijn geweest. Maar ik heb acht maanden héél diep na zitten denken over dit project. In een tochtig klooster, in het oosten van Peru nog wel!’ De subsidie voor Arend-Henk gaat nu naar Antoinette Palette. Dit opkomende talent bakt bloempotten in allerlei kleuren om mensen minder zwart-wit te laten denken.”

Deze Donald Duck, waarin van een wit doek als diepzinnig kunstwerk sprake is, naast het bericht ‘Meesterwerk blijkt ‘ongelukje’, waarbij Guus Geluk per ongeluk een meesterwerk gemaakt blijkt te hebben, maakt onderdeel uit van de expositie Humor. 101 jaar lachen om kunst. De geest van dada in de Nederlandse kunst 1916 - 2017, die zaterdag (20 mei) open gaat. Het is een dubbelexpositie, met in het Frans Hals Museum aandacht voor parodieën op kunstwerken, en in De Hallen Haarlem een overzicht van vrolijke, ontregelende Nederlandse kunst uit de tijd van dada (de jaren 20) tot nu.

De Duck-parodie typeert de geest van dada-kunst eigenlijk erg raak: die is bedoeld om te lachen, te ontregelen en te tirriteren. ‘Tirriteren’ is een woord dat Karlsson van het dak, een kinderboekpersonage van Astrid Lindgren, gebruikt: het is erger dan irriteren.

Dat het Frans Hals Museum en De Hallen Haarlem met humor in de kunst als thema voor hun zomerexposities komen, is begrijpelijk: Frans Hals was een van de weinige schilders die lachende mensen schilderde. „Een zeldzaamheid in de kunstgeschiedenis”, zegt conservator Antoon Erftemeijer, een van de samenstellers van de expositie. Kunst is door de eeuwen heen vooral een serieuze zaak geweest, iets verhevens, waarmee kerk, koning en kapitaalkrachtige kooplui doorgaans ernstig en praalzuchtig voor de dag wilden komen.

Filosofische slapstick

„Eigenlijk hebben de dadaïsten en Surrealisten de kunst een heel nieuwe, speelse humoristische dimensie gegeven, die tot dan toe amper bestond”, zegt Erftemeijer. „Het is geen humor die op de man speelt, maar meer filosofisch, slapstick en humor waarbij de draak wordt gestoken met ernst, de deftige burgers, en hun kunst.”

Het begon allemaal 101 jaar geleden, in 1916, toen in Zwitserland kunstenaars, opgejaagd door de Eerste Wereldoorlog, besloten niet langer verheven, esthetisch verantwoorde kunst van de gevestigde orde – die de oorlog veroorzaakt had – serieus te nemen. Humor, onzin, een toevallig op straat gevonden tramkaartje: dergelijke vrolijke antikunst wilden zij serieus nemen. Muziek maken en ontregelende optredens geven waarbij onzingedichten werden voorgedragen, dat deden ze.

„En die eerste optredens gaven dada-kunstenaars als Hugo Ball en Tristan Tzara in een Zürichs café van een Nederlander, Jan Ephraïm, een oude zeeman, die meedeed en muziek maakte”, vertelt Erftemeijer. Nu in Nederland de serieuze kunststroming uit die tijd, de 100-jarige De Stijl, herdacht wordt, wil Erftemeijer ook graag laten zien dat de vrije geest van dada in ons land wortel schoot.

Tijdmachine

Dat gebeurt in De Hallen Haarlem, die als een soort tijdmachine is opgebouwd. Op de begane grond wordt stil gestaan bij dada in Nederland in de jaren twintig, toen kunstenaar Theo van Doesburg (mede-oprichter van De Stijl) dada-avonden in het land organiseerde. Het publiek werd uitgenodigd te blaffen en te miauwen als er een onzingedicht werd voorgedragen, er werd modern piano gespeeld – alles om het publiek te laten lachen, tirriteren en ontregelen.

Leonard van Munster: The dancing white man.Foto Olivier Middendorp

Op de hogere verdiepingen in De Hallen kom je dan werken tegen van Nederlandse kunstenaars die in de geest van dada werkten, vanaf de jaren zestig, zoals Willem de Ridder, die kasten met proppen papier exposeerde. Van Wim T. Schippers is er een film te zien die meer dan een half uur duurt, Stemmen uit 1972. Daarop is een feestje van keurige burgers te zien, gespeeld door acteurs als Ina van Faassen en Wil van Selst, die onverstaanbaar door elkaar heen praten, tot er een modern pianist komt die een atonaal chaotisch pianoconcert geeft – Wim T. Schippers zelf – die zo irritant is, dat de gastheer hem er uitgooit. Alles in de sfeer van de tv-shows die Schippers zo beroemd maakten, de Fred Haché Show en Van Oekels Discohoek.

Veel van die kunst – een witte onderbroek met een brandvlek op het kruis (Burn-out van Henk Peeters) – heeft zijn ontregelende kracht van toen verloren. Een beetje zoals Foppervlakkigheid van Arend-Henk Donselaer. Maar goed voor een glimlach is het vaak nog wel, zoals de blazende mond op een tv-toestel, die echt een veertje lijkt weg te blazen: Pfft van Servaas.

Gelukkig toont de expositie ook kunst om te lachen van nu, op de bovenste verdieping. Een van de hoogtepunten is de bijdrage van de Vlaamse schilder Herr Seele, die altijd samenwerkt met Kamagurka, die ideeën levert. Hun beider surrealistische stripheld Cowboy Henk siert de muren. En Herr Seele heeft ‘een schutterstuk’ op de muur van het trappenhuis geschilderd, een vrolijke, moderne Hals-variant met grappen over kunst en humor. Absoluut hoogtepunt is het indrukwekkende beeld The dancing white man uit 2012, van Leonard van Munster: een pop van de witte man, een zelfportret van de kunstenaar, die als de bezoeker er langsloopt, onbeholpen mechanisch begint te dansen op swingende reggaemuziek van zwarte muzikanten. Het is een schrijnend tragikomisch beeld van de onbeholpen moderne witte man en zijn onvermogen om soepel mee te bewegen in de moderne, veelkleurige samenleving.