Column

Roes

De stad zucht gelukzalig onder een warme deken. Op terrassen verdwijnt bier in mensen. Het is een dag zomer. Ik loop achter twee korte mensen aan. Mijn dochter van zes en haar vriendinnetje. Ze eten een ijsje. Of eerder, na een korte zombie-act vanwege een brainfreeze, proberen ze het ijsje te redden van de meedogenloze zon, het smelten aan alle kanten bij te houden, zodat ze weer een normaal ijsje zullen hebben, maar het is moeilijk. We hebben net een jeugdvoorstelling bezocht. De voorstelling ging over veel dingen. Plastic soep, leiderschap. Ik probeer een gesprek met ze aan te knopen. „Wat vonden jullie van de voorstelling?” „Ik vond het leuk dat er een hond meedeed”, roept mijn dochter zonder om te kijken. „Ik vond het circus leuk”, zegt haar vriendin.

„Maar waar ging het over?”, probeer ik. De twee kijken ietwat verstoord naar me om. Ze deden net zo lekker alsof ze alleen door de stad liepen. „Plastic soep”, deponeert mijn dochter afgemeten. En ze draait zich weer om alsof ze het daarbij wil laten.

We hadden het er voor de voorstelling al over gehad. Ze had er filmpjes over gekeken. Het zijn de dingen die haar bezighouden, net als uitstervende haaien, Donald Trump, nou ja, zo’n beetje alles in de combinatie onrecht en dieren. Maar nu even niet. Nu gaat het om ijs redden en tegelijkertijd hetzelfde zeggen. Bij iedere put die we passeren roepen ze in koor: „Hé! Kijk! Een put!”

Op de heenweg had ik meer succes. Ze bespraken manieren om het gevoel te krijgen dat je been, arm of hand slaapt. Ik was even vergeten dat ik geen zes ben, en dat ik verantwoordelijkheden heb. Zoals een goed voorbeeld geven. Hoewel ze uitstekend uit de voeten konden met mijn demonstratie om het bloed uit je arm, als water in een rondslingerende emmer, met kracht in je hand en vingertoppen gedrukt te krijgen door je arm heel hard rond te laten draaien, als een helikopter, vanuit het schoudergewricht. Om dat goed te maken begin ik weer over de plastic soep. Ze happen toe. „We moeten al het afval in de straat opruimen!”, roept het vriendinnetje. „Ja!”, valt mijn dochter bij. Ik zeg dat ik dan wel mee ga omdat er weleens gevaarlijke dingen op straat liggen. „Ja!”, roept het vriendinnetje „Zoals drugs!” Precies, zeg ik. Het vriendinnetje gaat verder: „Want als je denkt ‘dat zijn snoepjes’ dan is het drugs! Ik ken meisjes die daar dood van gegaan zijn!” „Dood?”, vraagt mijn dochter sceptisch. „Ja, nou, in het ziekenhuis”, zegt het vriendinnetje. „Je zei net nog dat ze dood gingen.” „Nee, nou, bijna dood.”

De interesse van mijn dochter is gewekt. „Maar wat gebeurde er dan?” „Dat zeg ik toch? Ze lagen in het ziekenhuis.” Mijn dochter zucht. „Nee-hee, wat gebéúrde er met ze? Hoe voelde het? Wat gebeurde er toen ze het opgegeten hadden?” Ik roep dingen in de trant van ‘gevaarlijk’ en ‘al-tijd laten liggen’ – ook kleine boterhamzakjes en schattige envelopjes – en voeg eraan toe dat sommige ballonnen ab-so-luut géén ballonnen zijn. Mijn inmenging blijkt het teken om het onderwerp subiet af te sluiten. In stilte lopen ze verder, een spoor van ijsdruppels achterlatend.

Dan draait mijn dochter zich om. Een glunderende grijns vol aardbeienijs, opengesperde ogen. „Kan je mij weer een keer héééél hard ronddraaien? Zoals vroeger? En dat we dan proberen te lopen?” Roes. Een leeftijdsloze behoefte.