Progressieve bisschop Huub Ernst (100) bleef diplomatiek tot het einde

De vrijdag overleden oud-bisschop stond bekend als progressief – voorstander van getrouwde priesters – maar had ook een grote afkeer van kerkscheuringen.

Foto: ANP / Marcel Antonisse

In 1994 werd monseigneur Huub Ernst onderscheiden als ‘Beste Brabander’. Dat verbaasde niemand, want de bisschop van Breda, die twee jaar daarvoor met emeritaat was gegaan, genoot grote populariteit. Hij had oog voor de noden van de gewone man en vrouw, stond dicht bij de mensen en wees in het openbaar atoomwapens af.

Hubertus Cornelis Antonius Ernst (8 april 1917), in 1967 tot bisschop benoemd, doorstond alle stormen in de Nederlandse kerkprovincie: de liberalisering in de jaren zestig, de harde ‘romanisering’ van het lokale kerkbestuur in de jaren zeventig, de polarisatie die daarop volgde en de verwarring door het onverwachte vertrek van zijn collega’s Jo Gijsen en Philippe Bär in 1993.

De Bredase bakkerszoon Ernst, die vrijdagavond op honderdjarige leeftijd is overleden, wist al op jonge leeftijd dat hij priester wilde worden. Het praktische pastoraat trok hem aan, zei hij in 1992 in NRC Handelsblad. Tussen de mensen staan, dát wilde hij graag. Vanaf zijn priesterwijding in 1941 werd hem die rol slechts twee jaar gegund, als kapelaan in het Brabantse Leur. In 1943 benoemde toenmalig bisschop Petrus Hopmans hem tot conrector van een pensionaat voor meisjes in het naburige Etten.

Voorstander van getrouwde priesters

Kort na de Tweede Wereldoorlog werd Ernst docent moraaltheologie aan het grootseminarie in Hoeven, waar hij zelf in zijn jeugdjaren zijn opleiding had genoten. In 1957 volgde zijn aanstelling tot directeur van de catechisten: vrouwelijke religieuzen die zich bezig hielden met maatschappelijk werk. Vanaf 1962 combineerde hij dat werk in Breda met de functie van vicaris-generaal, de belangrijkste man na de bisschop, Gerard de Vet.

Evenals De Vet was Ernst van oordeel dat het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965), waar de kerk van Rome onder leiding van paus Johannes XXIII ‘bij de tijd gebracht’ werd en een progressieve sprong maakte, zou moeten leiden tot een breed beraad tussen de Nederlandse bisschoppen en alle stromingen binnen de vaderlandse kerk. Dat overleg kwam er: het pastoraal concilie in Noordwijkerhout (1968-1970). Toen die vergadering begon was De Vet overleden en opgevolgd door Ernst. Zijn wapenspreuk werd Christus heri et hodie (Christus gisteren en vandaag).

Op het pastoraal concilie bleek dat er een grote kloof bestond tussen de progressieve Nederlandse kerkprovincie onder leiding van aartsbisschop Bernard Alfrink en het Vaticaan. Alfrink en de andere bisschoppen, onder wie Jan Bluyssen (Den Bosch) en Ernst, waren uitgegroeid tot de avant-garde van de wereld. Ze vonden dat getrouwde mannen tot het ambt van priester moesten worden toegelaten en dat geestelijken die niet meer konden leven met het celibaat, in het huwelijk moesten kunnen treden.

De Nederlandse kerkprovincie dolf het onderspit tegen het Vaticaan. De tweedracht binnen de kerkprovincie nam toe, ook door de snelle benoemingen van bisschoppen die trouw waren aan Rome. Ernst, die zichzelf ooit de ‘linkse bisschop’ noemde, kwam jaren later met een kritische analyse van het pastoraal concilie. In 1994 zei hij in NRC Handelsblad dat de katholieke voorlieden tijdens het pastoraal concilie in Noordwijkerhout ,,in de praktijk nieuwe gezagsverhoudingen (wilden) uitoefenen, zonder dat daar een grondige fundering in een kerkvisie aan ten grondslag lag. Daarbij hebben we de plaatselijke kerk niet genoeg in verbinding gehouden met die in ons omringende landen en ook niet met Rome.”

Ernst was van 1976 tot 1994 voorzitter van Pax Christi Nederland, afdeling van de internationale katholieke vredesbeweging. In die functie nam hij stelling in de jaren van de ‘Hollanditis’, de Nederlandse protestbeweging tegen atoombewapening die begin jaren tachtig tot massale demonstraties in Amsterdam en Den Haag zou leiden. Ernst stond met overtuiging achter de leus ‘Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland’. Hij sprak 550.000 bezoekers toe op het Haagse Malieveld.

Getuige in misbruikzaak

In 2011 trad hij voor het laatst in de schijnwerpers van het nieuws, toen hij voor de rechtbank van Middelburg moest getuigen in de zaak rond de pater salesiaan Jan N., die keer op keer jongens had misbruikt, eerst in Rijswijk, in het bisdom Rotterdam, later in Terneuzen, in het bisdom Breda. De rechter vroeg de toen 93-jarige oud-bisschop hoe hij wilde worden aangesproken: als monseigneur, als bisschop of als meneer? „’t Laatste graag”, antwoordde Ernst.

Als bisschop had Ernst de pater in 1984 in dienst genomen, na een aanbeveling van de orde der salesianen. Het feit dat de man in kwestie in de jaren zeventig al eens was verdacht van misbruik van jongens en daarom, ondanks het sepot in de strafzaak, was weggestuurd bij een jongerencentrum in Rijswijk, had de bisschop nooit geweten. Voor de rechtbank in 2011 zei Ernst daarover: „Het is voor mij onvoorstelbaar dat mij informatie is achtergehouden die wezenlijk is voor de benoeming.” In het bisdom Breda vergreep de pater salesiaan zich opnieuw aan jongens, nu werd hij wel veroordeeld.

Ernst had een grote afkeer van kerkscheuringen en wilde niets liever dan dat katholieken onderling in gesprek bleven. „Laten we toch proberen het bij elkaar te houden”, zei hij meer dan eens met zijn zachte stem. Orthodoxe katholieken noemden hem wel eens „slap”, andere gelovigen prezen juist de pastorale vriendelijkheid van de „wijze man”, die naar eigen zeggen als bisschop had geleerd diplomatiek te zijn.