Ik ben dood. Jij ook als je dit niet doorstuurt

Horror per whatsapp

Onder basisschoolleerlingen gaan ‘horror-appjes’ rond. Niemand weet wie ermee begint. ‘We durfden meteen helemaal niks meer.’

Illustratie Studio NRC

Het eerste enge whatsappje dat Fenne (12) kreeg ging over Lisa, een meisje dat zelfmoord had gepleegd omdat ze gepest werd en nu wraak nam op iedereen die haar bericht niet aan vijftien mensen doorstuurde. Tom, stond in dat inmiddels klassieke horrorappje, had het per ongeluk aan te weinig mensen doorgestuurd en toen had Lisa hem ’s nachts uit zijn bed gehaald. Tom was nooit teruggekomen. Het engste van het verhaal was: ‘dit kan jou ook gebeuren!’.

Het is inmiddels zo’n twee jaar geleden, toen voor het eerst massaal ‘horror-appjes’ werden rondgestuurd, digitale kettingbriefjes waarin iemand iets verschrikkelijks is overkomen en de ontvanger wordt gewaarschuwd voor het lot dat dreigt als hij het bericht niet doorstuurt.

Fenne: „Ik was bij een vriendinnetje, die kreeg hetzelfde appje, en het ging maar door omdat de hele klas het aan het doorsturen was. We durfden meteen helemaal niks meer. De oppas heeft toen wel uitgelegd dat het nep was, maar ik heb er toch van wakker gelegen. Ik was echt heel bang.”

Net zo bang als na het kijken van een horrorfilm? „Banger. Bij een film zie je dat het nep is. Bij zo’n bericht ga je zelf fantaseren. Ik denk nog wel eens dat er iemand onder mijn bed ligt die me bij mijn enkels pakt als ik eruit stap.”

Kettingappjes

De kettingappjes die kinderen, meestal in de leeftijd 9, 10, 11 jaar, elkaar sturen zijn niet mals. Meisjes worden verkracht, moeders vermoord, ogen uitgestoken, armen afgehakt. Je raakt al je vrienden kwijt of je krijgt een dodelijke ziekte – alles waar kinderen bang voor zijn.

De eerste paar keer stuurde Fenne de appjes soms door, ook al wist ze dat het nep was. „Je wilt gewoon geen risico nemen. Stel dat het tóch een keer gebeurt.” Tot ze het een keer in de klas bespraken en de juf uitlegde dat je met dat doorsturen nog veel meer kinderen bang maakt, en dat dat precies de bedoeling is. „Nu zie ik ze binnenkomen en denk ik: oja, dat is er weer een. Meestal lees ik ze niet eens meer. Ze zijn vaak ook veel te lang.”

Vorige week kwam er een melding van de griezelkettingbrieven binnen bij de politie – die het overigens meer een zaak van scholen en ouders dan van de politie vindt. „En dat begrijp ik heel goed”, zegt Justine Pardoen van Bureau Jeugd en Media. „Ze kunnen hun tijd wel nuttiger besteden.” Zelf is ze jaren geleden weleens midden in de nacht gebeld door een bezorgde ouder, toen de enge verhalen nog per mail werden verspreid. „Door als ouders zo paniekerig te reageren, voed je de angst van het kind.”

Maar die appjes zijn toch ook best bedreigend? „Ja, zoals sommige sprookjes bedreigend zijn. En de griezelverhalen die kinderen elkaar vertellen. Maar ze horen ook bij de kinderwereld. Vanaf een jaar of negen krijg je meer vrijheid, je reikt naar de volwassen wereld, zonder die goed te begrijpen. In dat leerproces zijn die spannende dingen, die uitzicht bieden op een wereld waartoe je nog geen toegang hebt, eng en aantrekkelijk tegelijk. Je hebt ze nodig om volwassen te worden”, zegt Pardoen.

Het medium kan wel maken dat die verhalen extra bedreigend voelen, zegt Patti Valkenburg, hoogleraar Media, Jeugd en Samenleving aan de Universiteit van Amsterdam. „Vroeger kreeg je ook wel eens een kettingbrief, maar het was nog een hele klus om zo’n brief zeven keer over te schrijven. En die brieven waren in mijn herinnering ook minder eng. Zo naar als deze whatsappjes heb ik ze vroeger niet gezien. Dus hoewel het principe hetzelfde is, is de impact wel groter.”

Nooit doorsturen

Basisschool De Rank in Schagen haalde een paar jaar geleden de lokale media omdat er griezelige whatsappberichten rondgingen. Lang heeft de paniek niet geduurd. „Kinderen worden daar uiteraard angstig van. Door er open over te praten en uit te leggen waarom je die berichten nooit moet doorsturen, hebben we het de kop ingedrukt”, zegt directeur Frans Leijen. „Ik hoor er nu nooit meer wat over.”

Op de Rank vallen de griezelappjes nu misschien niet meer in vruchtbare aarde, maar voortdurend blijven overal whatsappjes opduiken waar kinderen maar moeilijk weerstand aan kunnen bieden. Dood, mutilatie, verkrachting – alles zien ze voorbijkomen. En je hoeft geen 9 of 10 te zijn om daar gevoelig voor te zijn. De talloze niet-bestaande computervirussen die het internet rondgepompt worden zou je de volwassen varianten kunnen noemen van de afgehakte armen en hoofden waarvoor kinderen elkaar waarschuwen.

Theo Meder, bijzonder hoogleraar in Groningen en verzamelaar van Volksverhalen voor het Meertens Instituut, herkent in al die verhalen dezelfde elementen. Je krijgt iets, er dreigt iets, je moet iets. Hij beschouwt het in eerste instantie als folklore. „Al in de Middeleeuwen kwamen er ‘brieven uit de hemel’.” Van die oude volksverhalen tot de horrorappjes, „ze appelleren allemaal aan het gevoel dat iets bovennatuurlijks mogelijk is.”

Die klassieke verhalen hadden een functie. „De wolf en de zeven geitjes, het watermonster – ze hebben als boodschap dat je nooit met vreemden mee moet gaan, of dat water gevaarlijk is”, zegt Meder. „Van oudsher werden die verhalen verteld om kinderen te disciplineren. Die moderne broodjes aap zijn toch vooral bedoeld om bang te maken. Ze spreken dezelfde angsten aan als de games die kinderen spelen en de films die ze zien.” Denk bijvoorbeeld aan The Ring, waarin een vermoord meisje via kwaadaardige video’s haar vloek laat gelden. „Je schrikt je rot als je zoiets op je telefoon leest.”

Het recept voor een horrorbericht lijkt eenvoudig: in een simpel plot spiegelt een autoriteit (een vriend van een vriend) je iets afschuwelijks voor, je moet het doorsturen en je zult gestraft of beloond worden. Maar een horrorapp met virale potentie bedenken, valt nog niet mee, weet Meder van een klein experiment met studenten die het probeerden. De berichten zijn nooit viraal gegaan.

Zoals we niet weten wie ‘de brieven uit de hemel’ schreef, weet ook niemand wie het eerste ‘Ik ben Lisa’-appje stuurde. Het zijn waarschijnlijk wat oudere kinderen, denkt Pardoen. Of lolbroeken die zoiets in de kroeg verzinnen. Valkenburg weet van Amerikaanse sites, waar ‘kwaadaardige grappenmakers’ hun inspiratie vandaan halen. Want in essentie is dat het: „Trolgedrag. En zoals we allemaal weten: het internet zit vol met trollen die anderen het leven zuur proberen te maken.”