Column

Generaties

‘Achttien jaar lang hebben jullie gewacht op deze prijs,” zei Dirk Kuijt op de Coolsingel tijdens de huldiging van Feyenoord, „maar jullie hebben nooit opgegeven! Generatie op generatie op generatie heeft moeten wachten, maar nu is het tijd: wij zijn kampioen!”

Daarna ging iedereen samen ritmisch klappen. Kuijt was schor en emotioneel, net als alle andere mensen ter plaatse. Want natuurlijk, achttien jaar is lang, en het zou flauw zijn om in te gaan op de precieze inhoud van wat Kuijt zei, want het ging om het gevoel. Iedereen was nu gewoon blij, zonder bijgevoelens. Dat gezegd hebbende: ‘generatie op generatie op generatie’ had moeten wachten op dit kampioenschap? Terwijl die hele periode van wachten achttien jaar heeft geduurd? Normaal gesproken duurt een generatie toch al gauw een jaar of vijfentwintig, dertig, maar drie generaties binnen achttien jaar suggereert dat Kuijt vindt dat een generatie maar zes jaar duurt.

Dat klinkt absurd, tot je beseft: misschien heeft Kuijt het wel over voetbalgeneraties. Als de ene ploeg voetballers is afgeserveerd wegens knieblessures, dient zich een nieuwe generatie aan. Een tijdje spelen bij een topclub, dan bij een mindere club met veel geld, en dan met wat geluk richting het trainerschap. Maar dan nog vind ik zes jaar voor één generatie een beetje snel.

Los daarvan had Kuijt het niet over de voetballers, maar over de toeschouwers, die er generatie op generatie op generatie op hadden moeten wachten. Dat zou betekenen dat een fanschap van een club maar een jaar of zes duurt, en dat is pertinent onwaar. Fanschap kenmerkt zich juist door oneindigheid. Tegen de klippen op. Tot de dood.

Het kan natuurlijk ook dat voetballers, omdat het toch andersoortige mensen zijn, in een soort hondenjaren leven. Dat je alles keer zes moet doen. Dan kloppen die generaties al een stuk beter. Kuijt zelf is nu 216. Oud genoeg om te weten waar hij het over heeft.

is cabaretier en schrijver.