Europa ziet weer blauwe lucht

Een jaar of vijf geleden, toen de eurozone in diepe somberheid was gedompeld, was een trip naar Londen nog een opkikker. Daar zaten de mensen die wisten hoe het moest. Daar zaten de mensen die na een meewarig ‘I told you so’ nooit te beroerd waren om uit te leggen hoe wij, desperado’s op het vasteland, uit de economische, financiële en politieke impasses konden komen. De bankiers, de politici, de commentatoren, de academici, zelfs de man in de straat die elke avond op tv uitgebreid verslag kreeg van de malaise op het continent: allen waren het erover eens dat de Europeanen, waar zij zichzelf zoals bekend zelden toe rekenen, er een rotzooi van maakten. Als je na een paar dagen het Kanaal weer overstak, de zompige eurozone in, was het soms met lood in de schoenen. Het was moeilijk om dat recalcitrante volk niet te benijden. Om hun optimisme. Om hun positie als outsiders – zonder ECB, eurogroepen, Wolfgang Schäubles en Griekse tragedies. En om het feit, vooral, dat zíj een toekomstperspectief leken te hebben. Wij hadden dat perspectief niet. Wij zaten in een mist die enkel dikker leek te worden. Niemand wist waar het heen ging met de euro, met Europa, met de democratie – met alles eigenlijk.

Als je nu naar het VK gaat, kun je je moeilijk aan de indruk onttrekken dat de rollen een beetje zijn omgedraaid. Vier jonge mensen in Londen vertellen op één dag dat ze het land willen verlaten: te veel negativisme, teveel navelstaren, teveel politieke stupiditeiten. Een econoom was in Azië en kreeg daar in elke hoofdstad te horen dat bilaterale handelsverdragen met landen afzonderlijk, zoals Londen voor ogen heeft, er niet inzitten: „Je kunt alleen een deal krijgen met ons allemaal tegelijk, als groep – en sommigen van ons zijn niet geïnteresseerd. Dus good luck!” Een ander rekent een wijs maar mistroostig gezelschap in Oxford droogjes voor: „We verliezen straks toegang tot de markt in de EU én de 55 landen waar de EU verdragen mee heeft. Dit gaat over ruim 60 procent van al onze handel.” Overal woeden eindeloze, oeverloze discussies over de achterhaalde vraag of dat Brexit-referendum wel gehouden had moeten worden. Over de grenzen met Schotland en Ierland, en hoe dat in de toekomst in vredesnaam moet. Veel Britten zijn ervan overtuigd dat de Duitsers en de Fransen het VK willen „straffen”. De opmerking dat dit een club is met regels waar het VK zélf vanaf wilde, leidt meteen tot een vinnige opsomming van rampspoed in de EU: het ‘debacle’ met de euro, schandelijke gesol met vluchtelingen, antidemocraten in Boedapest en Warschau. Zoveel bitterheid. Zoveel vijandigheid. Zoveel thema’s, enkel nog gezien door een nauw Brits prisma.

Op het vasteland gebeurt het omgekeerde. Daar lijkt de mist juist voor het eerst in tien jaar – de bankencrisis begon in 2007 – enigszins op te trekken. Soms zie je ineens een flard blauwe lucht. De economische groei zet door. De werkloosheid is gezakt naar het niveau van 2008. Democraten uit het midden hebben in Frankrijk, Nederland en Oostenrijk laten zien dat het politieke momentum bij hén ligt, niet meer bij de populisten. Frankrijk en Duitsland willen Europa een nieuwe doorstart geven, en daarmee nieuw zelfvertrouwen. Orban en Kaczynski raken ineens geïsoleerd. Dat al deze dingen tegelijk gebeuren, zegt iets. Het een versterkt het ander. Het fatalisme lijkt weg te ebben. Europa zit vol problemen, inderdaad. Maar het geloof groeit dat het de moeite waard is om te proberen die op te lossen. Dat zal lastig zijn en succes is niet verzekerd. Maar het geeft hoop. En dat werd hoog tijd.

Hoe moet het verder met de Europese Unie?